Bibelen på hverdagsdansk

Zakarias 1

Et kald til folket om at vende om til Gud

1I den ottende måned i kong Dareios[a] af Persiens andet regeringsår talte Herren til Israels folk gennem profeten Zakarias, der var søn af Berekja og barnebarn af Iddo:

2-4 „Hør, hvad jeg, Herren den Almægtige, siger: Hvis I vil vende om og komme til mig, vil jeg komme jer i møde. Vær ikke som jeres forfædre, som jeg var nødt til at straffe hårdt. Jeg advarede dem gennem mine profeter om at vende om fra deres ugudelige levemåde og onde handlinger, men de nægtede at lytte til mig. Nu er de alle sammen borte, og profeterne er døde. Men det, jeg sagde til dem gennem mine tjenere, profeterne, gik i opfyldelse, og de måtte angrende erkende: ‚Herren straffede os for vores onde levevis og handlinger, akkurat som han sagde, at han ville!’ ”

Herren opmuntrer Israels folk

Den 24. dag i den 11. måned[b] samme år, talte Herren til mig i et syn om natten. Jeg så en mand sidde på en rød hest mellem nogle myrtebuske i en kløft. Bag ham var der mange ryttere på røde, brune og hvide heste. Ved siden af mig stod en engel. „Hvad betyder alle de heste?” spurgte jeg englen. „Det vil du få at se!” svarede han.

10 „Herren sendte dem ud for at inspicere hele jorden,” forklarede englen på den røde hest, 11 der stod mellem myrtebuskene. Derefter aflagde de øvrige ryttere rapport: „Vi har været overalt på jorden, og alle vegne er der fred og ro.” 12 Da sagde englen på den røde hest: „Almægtige Herre, i 70 år har du været vred på de landflygtige fra Jerusalem og Judas byer. Hvornår vil du gribe ind og vise dem barmhjertighed?”

13 Herren talte nu til englen, som stod ved min side, 14 hvorpå englen henvendte sig til mig og sagde: „Forkynd følgende budskab fra Herren, den Almægtige: ‚Jerusalem og Zions bjerg har en særlig plads i mit hjerte. 15 Jeg er vred på de selvsikre, gudløse folkeslag, for selv om jeg brugte dem til at straffe mit folk, gik de alt for langt i deres skånselsløse opførsel. 16 Derfor erklærer jeg, Herren: Jeg kommer Jerusalem i møde med barmhjertighed. Mit tempel skal genrejses, og hele Jerusalem skal genopbygges. Ja, siger jeg, Herren den Almægtige: 17 Jeg vil igen velsigne Israels byer med velstand, trøste Jerusalems indbyggere og bosætte mig på Zions bjerg.’ ”

Notas al pie

  1. 1,1 Dareios Hystaspes, konge i Persien fra 522-486 f.Kr.
  2. 1,7 Teksten tilføjer: „Shebat måned”.

Het Boek

Zacharia 1

De boodschap van de engel van de Here

1In de achtste maand van koning Dariusʼ tweede regeringsjaar ontving de profeet Zacharia, de zoon van Berechja en kleinzoon van Iddo, deze boodschap van de Here.

‘De Here is toornig geweest op uw voorouders. Maar tegen u zegt Hij: “Als u bij Mij terugkomt, zal Ik ook bij u terugkomen.” Wees niet zoals uw voorouders! De vroegere profeten zeiden tegen hen: “De Here van de hemelse legers zegt dat u moet ophouden met uw kwade praktijken,” maar zij luisterden niet. Zij bekommerden zich niet om Mij. Wat is er van uw voorouders en hun profeten geworden? Maar mijn woord houdt eeuwig stand! De woorden die Ik door mijn profeten liet verkondigen, hebben uw voorouders ten slotte toch bereikt, waarna zij tot inkeer kwamen. Toen moesten zij erkennen: “De Here van de hemelse legers had ons nog zo gewaarschuwd, maar moest uiteindelijk zijn dreigementen toch uitvoeren. Wij kregen wat wij verdienden.” ’

Op de vierentwintigste dag van de elfde maand, de maand Sebat, nog steeds in het tweede regeringsjaar van koning Darius, ontving de profeet Zacharia opnieuw een boodschap van de Here. Deze keer kwam de boodschap ʼs nachts in de vorm van een visioen: ik zag een man op een rood paard. Hij stond tussen de mirtestruiken in een rivierdal en achter hem stonden andere paarden, rode, bruine en witte. Een engel stond naast mij en ik vroeg hem: ‘Waarvoor zijn al die paarden daar, mijn heer?’ ‘Ik zal het u vertellen,’ zei hij. 10 De man die tussen de mirtestruiken stond, zei: ‘De Here heeft hen uitgestuurd om voor Hem de hele aarde te verkennen.’ 11 Toen brachten de andere ruiters de engel van de Here verslag uit van hun tocht: ‘Wij hebben de hele aarde verkend en het is overal volkomen rustig.’ 12 Bij het horen hiervan zei de engel van de Here: ‘Here van de hemelse legers, U bent nu al zeventig jaar toornig geweest op Jeruzalem en de andere steden in Juda. Hoelang zal het nog duren voordat U Zich hun lot aantrekt en weer medelijden toont?’ 13 De Here antwoordde de engel die naast mij stond met vriendelijke, troostrijke woorden.

14 Toen zei de engel tegen mij: ‘Predik dit namens de Here van de hemelse legers: “Denkt u dat het Mij niets kan schelen wat er met Jeruzalem en Juda is gebeurd? Ik waak over hen! 15 Ik ben in grote woede ontstoken tegen de heidense volken die zo zelfverzekerd zijn. Ik was niet erg kwaad op mijn volk, maar die volken hebben hen buitensporig zwaar gestraft. 16 Daarom,” zegt de Here, “zal Ik medelijden hebben en terugkeren naar Jeruzalem. Mijn tempel zal worden herbouwd en ook Jeruzalem zal weer herrijzen. 17 Herhaal het nog eens: de Here van de hemelse legers belooft dat de steden van Israël zullen overvloeien van welvaart. En de Here zal Jeruzalem weer troosten en zegenen en in haar wonen.” ’

18 Toen keek ik op en zag vier horens. 19 ‘Wat betekent dat?’ vroeg ik de engel. Hij antwoordde: ‘Zij vertegenwoordigen de vier wereldmachten die Juda, Israël en Jeruzalem hebben verstrooid.’ 20 Vervolgens liet de Here mij vier smeden zien. 21 ‘Wat komen die mannen doen?’ vroeg ik. De engel antwoordde: ‘Zij zijn gekomen om de vier horens die de bevolking van Juda zo volkomen hebben uiteengeslagen, vast te grijpen. Zij zullen hen stukslaan op het aambeeld en weggooien.’