Bibelen på hverdagsdansk

Salme 74

Bøn om Israels genoprettelse

1En visdomssang[a] af Asaf

Åh, Gud, har du forkastet os for evigt?
    Du er vores hyrde, men har straffet os hårdt.
Vi er det folk, du udvalgte i ældgamle dage.
    Du satte os i frihed og gjorde os til dit folk.
        Du udvalgte Zion som din bolig på jorden.
Prøv at gå en runde i byens ruiner,
    se, hvordan fjenden har nedbrudt din helligdom.
De udstødte sejrsråb midt i dit tempel,
    de plantede et banner dér som tegn på ejerskab.
De angreb dit tempel som skovhuggere,
    der svinger økserne mod de store træer.
De knuste det udskårne træværk,
    huggede det i stumper og stykker.
De satte ild til din helligdom, Herre.
    De jævnede din bolig med jorden.
De besluttede at knuse os helt
    og afbrændte alle vore bedehuse.
Nu er der intet, der viser, at vi er dit folk.
    Der er heller ingen profeter tilbage.
        Vi ved ikke, hvor længe vores ulykke skal vare.
10 Hvor længe får fjenden lov at håne os, Gud?
    Vil du tillade dem for evigt at spotte dit navn?
11 Hvorfor gør du ikke noget?
    Hvorfor straffer du dem ikke?

12 Gud, du har været vores Konge fra ældgamle tider,
    ofte har du reddet os ved dine mægtige undere.
13 Du skilte vandene med vældig kraft,
    du knuste hovederne på havets uhyre,
14 ja, du knuste Livjatans hoveder
    og gav den som føde til ørkenens folk.
15 Du åbnede kilder og lod vand springe frem,
    du standsede flodernes løb.
16 Du satte solen til at herske om dagen
    og månen til at skinne om natten.
17 Du fastlagde jordens grænser,
    du lod sommer og vinter afløse hinanden.

18 Hør, hvordan fjenderne håner dig, Herre,
    de gudløse nationer spotter dit navn.
19 Giv ikke din due i rovdyrets vold,
    forkast ikke for evigt dit stakkels folk.
20 Husker du ikke din pagt og dine løfter?
    Verden er jo fyldt med vold og ondskab.
21 Lad ikke dit forpinte folk blive til spot,
    men giv os grund til at lovprise dig.
22 Åh, Gud, grib ind og forsvar din ære.
    Hør, hvor du hånes af tåber hver dag.
23 Glem ikke alt, hvad de gudløse siger,
    deres hån og forbandelser stiger og stiger.

Notas al pie

  1. 74,1 På hebraisk: maskil. Ordets betydning kendes ikke med sikkerhed.

Het Boek

Psalmen 74

1Een leerzaam gedicht van Asaf.

O God, waarom stuurt U ons bij U weg?
Waarom ontbrandt uw toorn tegen ons,
de schapen van uw kudde?
Houd toch in gedachten dat wij van U zijn,
U hebt ons volk uitgekozen als uw eigen volk.
En in Jeruzalem hebt U uw woning gekozen.
Kom toch naar de puinhopen en kijk
hoe uw tegenstanders uw heilig huis hebben verwoest.
Zij maakten lawaai in uw tempel
en hebben er hun eigen afgoden neergezet.
Het leek wel of er iemand
met een bijl was tekeergegaan.
Met allerlei werktuigen hebben zij
het houtsnijwerk in uw tempel vernield.
Zij hebben de tempel in brand gestoken
en uw woning helemaal platgebrand,
nu is het geen heilige plaats meer.
Zij maakten plannen
om het hele volk te onderdrukken
en hebben alle heiligdommen in het land verbrand.
Nu hebben wij geen zichtbare tekenen van de eredienst meer
en er is geen profeet meer te bekennen.
Niemand van ons weet hoelang dit nog moet duren.
10 Hoelang zal de vijand nog de spot met ons drijven, o God?
Zal hij U altijd blijven bespotten?
11 Waarom doet U niets?
Waarom slaat U hen niet neer?
Uw hand is toch machtig?
Vernietig hen toch!
12 Toch is God al sinds mensenheugenis onze Koning!
Hij zorgt overal voor bevrijding.
13 U hebt de zee gespleten door uw kracht,
U hebt de zeemonsters vernietigd.
14 U hebt de koppen van het zeemonster Leviatan vermorzeld
en als voedsel aan de dieren in de woestijn gegeven.
15 U laat bronnen en beken ontspringen en stromen,
U laat ook de altijd stromende rivieren opdrogen.
16 De dag is van U en ook de nacht is uw bezit.
U hebt het licht en de zon geschapen.
17 U hebt de grenzen van land en water vastgesteld.
Zomer en winter hebt U gemaakt.
18 Kijk toch eens, Here,
hoe de tegenstanders U bespotten,
dit dwaze volk wil niet naar U luisteren.
19 Bescherm uw volk tegen de heidenen,
lever uw volk niet aan hen uit.
Spaar het leven van uw volgelingen,
die er jammerlijk aan toe zijn.
20 Denk aan het verbond dat U met hen sloot,
want overal steekt het geweld de kop op.
21 Stel hen die onderdrukt worden, niet teleur.
Laten de armen en verdrukten reden hebben
uw naam te loven en te prijzen.
22 Kom er toch bij, o God!
Voert U de strijd voor ons.
En denk eraan hoe die dwaze ongelovigen
U de hele dag bespotten.
23 Vergeet niet hoe uw vijanden
tegen U schreeuwen,
hoe zij die niet bij U willen horen,
tegen U tieren.
Het stijgt allemaal omhoog tot U.