Bibelen på hverdagsdansk

Salme 73

Gud er retfærdig og god

1En sang af Asaf.

Gud er god mod sit folk,
    mod dem, hvis hjerte er rent.
Men jeg var på nippet til at miste min tro,
    jeg var kommet snublende nær til afgrunden.
For jeg blev misundelig på de stolte og gudløse,
    de har jo fremgang på trods af deres ondskab.
Alt går så glat og sorgløst for dem,
    de er raske og strutter af sundhed.
De bekymrer sig ikke om noget som helst,
    eller plages af problemer som os andre.
Derfor knejser de med hovedet i deres hovmod,
    de omgiver sig med vold, som var det en kappe.
Ondskaben vælter ud af deres indre,
    deres tanker er fyldt med nedrige planer.
Deres tale er ondskabsfuld og hånlig,
    de er fyldt med foragt og trusler mod andre.
De gør oprør mod Gud i Himlen
    og opfører sig, som om de ejede hele jorden.
10 Derfor bøjer folket sig for dem
    og giver dem alt, hvad de forlanger.[a]
11 „Der findes ingen Gud, som kan se os,” påstår de.
    „Den Højeste Gud aner ingenting.”
12         Sikken et grusomt hovmod.
Deres velstand øges,
    uden at de anstrenger sig for det.
13 Jeg var fristet til at tænke: „Det hele er håbløst.
    Hvad er fordelen ved at leve et retskaffent liv.
14 Det giver mig kun problemer dagen lang,
    og jeg pines fra morgen til aften.”
15 Men hvis jeg virkelig havde sagt sådan,
    ville jeg være en forræder mod dit folk.
16 Jeg har prøvet at forstå det,
    men det er bestemt ikke let.
17 Så gik jeg ind i dit tempel, Gud,
    og du forklarede mig de ondes endeligt.
18 Jeg indså, at de er ude på et skråplan,
    du vil straffe dem med døden engang.
19 På et øjeblik er det forbi med dem,
    de vil opleve en frygtelig afslutning på livet.
20 Deres liv er som en drøm,
    der forsvinder, når man vågner.
Når du griber ind, Herre,
    bliver det enden på deres drømmeliv.
21 Da indså jeg, hvor bitter jeg var blevet,
    hvor misundelig jeg var på de gudløses succes.
22 Dengang var jeg dum og uvidende,
    som et dyr, der intet forstår.
23 Men alligevel har du ikke forkastet mig, Gud.
    Du holder fast ved min højre hånd.
24 Du rådgiver mig på livets vej,
    og til sidst går jeg ind til herligheden.
25 Det er dig, jeg vil tjene og tilbede, Gud,
    ingen andre i verden kan jeg stole på.
26 Kroppen kan svigte og livsmodet synke,
    men du er min tilflugt og tryghed for evigt.

27 Alle, der vender dig ryggen, går til grunde,
    du udrydder dem, der gør oprør imod dig.
28 At leve i Guds nærhed er min lykke!
    Jeg har valgt at stole på Herren, min Gud,
        og vidne om alle hans velgerninger.

Notas al pie

  1. 73,10 Den hebraiske tekst er ret uforståelig.

Het Boek

Psalmen 73

1Een psalm van Asaf.

God is zeker goed voor zijn volk Israël,
Hij is goed voor alle mensen die een zuiver hart bezitten.
Wat mijzelf betreft:
bijna had ik het rechte pad verlaten,
bijna was ik uitgegleden.
Dat komt doordat ik jaloers was op de trotse mensen,
toen ik zag hoe voorspoedig de ongelovigen leefden.
Zij lijken geen problemen te kennen,
ook lichamelijk niet:
zij zien er gezond en weldoorvoed uit.
Zij weten niet wat zorgen zijn
en niemand legt hun een strobreed in de weg.
Daarom dragen zij hun trots als een halsketting
en pronken zij met geweld alsof het dure kleren zijn.
Hun gezicht is pafferig van het vet.
Zij verbeelden zich van alles.
Zij steken overal de spot mee
en spreken kwaadaardig
over het onderdrukken van andere mensen.
Hun taal is gezwollen, trots en uit de hoogte.
Zij zetten een grote mond op tegen God
en verachten de mensen.
10 Het volk houdt rekening met hen
en zij profiteren ervan.
11 Zij zeggen: ‘God kan niet alles weten.
De Allerhoogste heeft wel iets anders te doen
dan Zich met ons te bemoeien.’
12 Kijk, zo leven nu de ongelovigen.
Zonder zorgen worden zij alleen maar rijker en rijker.
13 Voor niets heb ik zuiver geleefd,
mij ver gehouden van onrecht.
14 De hele dag word ik gekweld,
elke morgen voel ik mijn straf.
15 Als ik echter net zo had gehandeld en gesproken,
hoorde ik niet meer bij U.
16 Ik heb mij het hoofd gebroken hoe dit mogelijk was.
In mijn ogen was het onbegrijpelijk en onaanvaardbaar.
17 Maar uiteindelijk ging ik Gods huis binnen
en zag hoe het met de ongelovigen afliep.
18 Werkelijk, U laat hen op gladde wegen lopen en uitglijden.
U laat hen ten slotte ineenstorten en een ruïne worden.
19 In een oogwenk veranderen zij
en bekijkt ieder hen met afgrijzen.
Dan zijn ze weg, omgekomen door rampen.
20 Zoals een droom na het ontwaken niet echt blijkt te zijn,
zo ontkent U, Here, hun bestaan
als U erbij wordt betrokken.
21 Toen bitterheid in mijn hart opkwam
en ik opstandig en geprikkeld was,
22 reageerde ik als een dwaas zonder inzicht.
Ik gedroeg mij onredelijk tegenover U.
23 Toch zal ik altijd bij U blijven,
U houdt mij stevig vast.
24 Door uw raadgevingen zal ik mij laten leiden
en wanneer ik eenmaal sterf,
mag ik in uw heerlijkheid bij U komen.
25 Wie of wat heb ik, buiten U, nog nodig?
Als ik U heb, heb ik verder niets nodig
en verlang ik niets meer.
Noch op aarde, noch in de hemel.
26 Al zou ik geestelijk en lichamelijk bezwijken,
mijn hart vertrouwt op God,
Hij is mijn rots.
Voor eeuwig houdt Hij mij vast.
27 Het is duidelijk: wie niet met U leven,
gaan hun ondergang tegemoet.
U vernietigt ieder die U verlaat en andere goden dient.
28 En ik? Ik ben gelukkig als ik dicht bij God ben.
De Almachtige Here is mijn toevluchtsoord.
Ik wil iedereen over uw werk vertellen.