Bibelen på hverdagsdansk

Salme 52

Guds straf over en ond „helt”

11-2 Til korlederen: En visdomssang af David, dengang Edomitten Doeg fortalte Saul, at David havde søgt hjælp hos Ahimelek.[a]

Hvorfor prale af din ondskab, du stærke mand?
    Gud er trofast, og han beskytter mig dag efter dag.
Hele tiden lægger du onde planer.
    Dine ord er dødbringende som skarpe knive.
Du foretrækker ondt frem for godt,
    løgn frem for sandhed.
Du elsker at sige noget, som kan skade andre.
    Hvor er du fuld af falskhed.
Men Gud vil gøre det af med dig,
    rive dig bort fra dit hjem,
        rykke dig op fra de levendes land.
Når de gudfrygtige ser det, vil de gyse,
    de vil håne dig og sige:
„Sådan går det dem,
    der ikke regner med Gud,
men stoler på deres rigdom
    og praler af deres ondskab.”

10 Men jeg er som et frodigt oliventræ,
    der trives i Herrens hus.
        Jeg stoler altid på hans trofasthed og nåde.
11 Herre, jeg vil takke dig for alt, hvad du gør for mig,
    jeg vil forkynde din godhed i dine tjeneres nærvær.

Notas al pie

  1. 52,1-2 Se 1.Sam. 21–22, hvor Saul fik Doeg til at slå alle præsterne ihjel.

Het Boek

Psalmen 52

11,2 Een leerzaam gedicht van David voor de koordirigent. Hij maakte dit nadat de Edomiet Doëg hem aan Saul had verraden met de woorden: ‘David is in het huis van Achimélech.’

Och geweldenaar, waarom denkt u
dat het kwade u wel zal helpen?
De liefde en goedheid van God houden nooit op
en gelden dag en nacht.
U bedenkt allerlei kwaad,
uw tong is zo scherp als een scheermes.
U bent een bedrieger!
U geeft de voorkeur aan het kwaad
boven het goede.
U liegt liever
dan dat u de waarheid spreekt.
U hoort het liefst slechte taal
en een mond die bedriegt.
God zal u echter voor eeuwig verderven.
Hij zal u uit uw huis wegslepen
en een einde aan uw leven maken.
De oprechte mensen die het zien,
zullen ontzag voor God hebben en zeggen:
‘Kijk, zo vergaat het degene
die niet op God vertrouwt,
maar denkt dat zijn rijkdom hem wel zal redden.
Die rijkdom waardoor hij zich sterk waande,
werd zijn ondergang.’
10 Ik groei echter op
als een altijd groene olijfboom in Gods huis.
Onophoudelijk vertrouw ik
op Gods goedheid en liefdevolle zorg.
11 Ik zal U altijd loven en prijzen,
omdat U mij steeds weer redt.
Ik verwacht het alleen van U,
samen met al uw volgelingen,
want uw naam is groot en goed.