Bibelen på hverdagsdansk

Salme 35

Hjælp under falsk anklage

1En sang af David.

Herre, kæmp mod dem, der bekæmper mig.
    Gå i krig mod dem, som angriber mig.
Tag din rustning på, grib dit skjold,
    gør klar til kamp mod mine fjender.
Kast dit spyd og brug din lanse
    mod dem, der forfølger mig.
        Lov mig, at du vil redde mig.
Bring skam over dem,
    der ønsker at slå mig ihjel.
Forvir dem, så de må vende om,
    og deres onde planer mislykkes.
Blæs dem væk som avner for vinden,
    lad din mægtige engel drive dem bort.
Gør deres vej mørk og glat,
    lad din engel forfølge dem.

Uden grund har de sat fælder for mig,
    gravet en faldgrube på min vej.
Men pludselig kommer ulykken over dem,
    de bliver fanget i deres egen fælde,
        de styrter selv i faldgruben.

Så vil jeg glæde mig over dig, Herre,
    jeg vil fryde mig over din frelse.
10 Fra mit hjertes dyb vil jeg råbe:
    Herre, ingen kan sammenlignes med dig.
Du, som redder de svage fra deres undertrykkere,
    frelser de værgeløse fra røveres overgreb.

11 Falske vidner stod frem imod mig,
    anklagede mig for noget, jeg ikke havde gjort.
12 De gengældte godt med ondt
    og gjorde mig helt fortvivlet.
13 Dengang de var syge, sørgede jeg,
    klædte mig i sæk og aske,
bad med bøjet hoved
    og fastede inderligt for dem.
14 Jeg følte det, som var det min egen familie,
    jeg sørgede for dem, som var det min mor.
15 Men da jeg selv kom ud i problemer,
    blev de glade og samlede sig imod mig.
De angreb mig uden varsel,
    bagtalte mig dagen lang.

16 Da jeg snublede, gjorde de nar ad mig.
    De viste tænder som glubske løver.

17 Herre, hvor længe vil du bare se på?
    Grib dog ind og frels mig fra de løver.
        Red mit liv fra de rasende bæster.
18 Så vil jeg offentligt give dig ære,
    prise dig blandt alt dit folk.

19 De blev mine fjender uden årsag.
    Lad dem ikke sejre over mig.
De hadede mig uden grund.
    Lad dem ikke udføre deres onde planer.
20 De ønsker ikke at skabe fred,
    men planlægger ondt mod uskyldige folk.
21 De råber deres anklager imod mig:
    „Ha!” siger de. „Vi så det selv!”

22 Herre, du har set det hele. Vær ikke tavs.
    Lad mig ikke i stikken nu.
23 Grib ind, Herre, og skaf mig ret.
    Min Herre og Gud, før min sag.
24 Erklær mig skyldfri, for du er retfærdig.
    Lad dem ikke sejre over mig.
25 Lad dem ikke sige: „Ha! Det gik, som vi havde håbet!”
    Lad dem ikke tænke: „Nu er det ude med ham!”
26 Gør dem alle skamfulde,
    alle, der fryder sig over min ulykke.
Lad dem, der gør nar ad mig,
    selv blive gjort til grin.
27 Men lad dem, som ønsker mig det godt,
    juble af glæde og sige:
„Lovet være Herren,
    for han hjælper sine tjenere.”
28 Så vil jeg altid mindes din godhed.
    Ja, jeg vil prise dig dagen lang.

Het Boek

Psalmen 35

1Een lied van David.

Here, als sommigen met mij argumenteren,
wilt U dan voor mij antwoorden?
Als iemand mij aanvalt,
vecht U dan voor mij terug.
Neem uw wapens op
en kom mij te hulp!
Val mijn achtervolgers aan.
Laat mij weten dat U mij zult verlossen!
Laat hen die mij willen doden,
voor schut staan.
Laat hen die slechte plannen tegen mij beramen,
beschaamd afdruipen.
Verstrooi hen als kaf in de wind,
op het moment dat uw Engel hen neerslaat.
Zij gaan op donkere, glibberige wegen
en de Engel van de Here achtervolgt hen daarop.
Want zonder aanleiding spanden zij een net voor mij
en groeven een valkuil om mij te vangen.
Ik hoop dat zij zonder het te merken zelf omkomen.
Dat zij in hun eigen kuil zullen vallen.
Ik verheug mij in de Here,
ik zing een loflied over zijn hulp en bevrijding.
10 Alles in mij juicht:
Here, wie kan U evenaren?
U bevrijdt arme en beproefde mensen
van hun onderdrukkers en berovers.
11 Leugenachtige getuigen nemen het woord
en vragen mij dingen die ik helemaal niet weet.
12 Zij vergelden goed met kwaad.
Mijn ziel is eenzaam geworden.
13 Zelf heb ik mij direct in rouwkleding gestoken
toen zij ziek waren.
Ik vernederde mij voor U met vasten
wanneer mijn gebed niet verhoord werd.
14 Ik liep rond alsof het mijn broer of mijn vriend betrof,
ik ging in het zwart alsof mijn moeder was gestorven.
15 Maar toen ík een keer in problemen zat,
lachten zij om mij en liepen te hoop om mij te zien.
Zelfs onbekenden begonnen mij te slaan
en maakten mij onophoudelijk bespottelijk.
16 Een heel stel ongelovige, spotlustige lieden
bedreigde mij.
17 Here,
hoe lang laat U hen nog hun gang gaan?
Verlos mij toch, ik ben eenzaam.
Laten zij mij niet verslinden.
18 Dan zal ik U te midden van alle gelovigen loven,
U prijzen waar iedereen bij is.
19 Laten mijn valse tegenstanders toch geen plezier over mij hebben!
Er zijn er die mij zonder reden haten!
20 Zij zijn niet op vrede uit.
Zij maken slechte plannen,
gericht tegen hen die in rust en stilte leven.
21 Zij bedreigen mij en zeggen:
‘Ha! Wij hebben het wel gezien!’
22 U ziet alles, Here, wilt U optreden?
Och Here, laat mij niet in de steek!
23 Sta op en vecht voor mijn recht.
God, mijn Here, voert U voor mij het woord in de rechtzaal.
24 Laat uw recht over mij beslissen, Here, mijn God,
zodat zij geen leedvermaak over mij kunnen hebben.
25 Dat zij niet kunnen denken:
‘Ha! Nu gebeurt wat wij willen!
Wij hebben hem eronder gekregen!’
26 Laten zij zich maar schamen,
al die mensen die op mijn ondergang zitten te wachten.
Ik hoop dat allen die mij verachten, te schande worden gemaakt.
27 Maar ik wil dat alle mensen
die verlangen naar mijn vrijspraak,
zullen juichen en zich verheugen.
Dat zij voortdurend de Here zullen grootmaken en zeggen:
‘De Here trekt Zich het lot van zijn geliefde dienaar aan.’
28 Zelf zal ik dag in, dag uit
over uw rechtvaardigheid spreken
en U loven en prijzen.