Bibelen på hverdagsdansk

Salme 10

Det stolte menneske

1Hvorfor er du så langt væk, Herre,
    når jeg har allermest brug for dig?
De gudløse undertrykker frækt de svage,
    fanger dem med listige intriger.
De praler af deres onde planer,
    roser de grådige, men håner Herren.
De er stolte og regner ikke med Gud.
    De mener, han slet ikke eksisterer.
De ser ud til at klare sig godt.
    De ænser ikke straffen, der venter dem.
        De blæser på deres modstandere.
„Intet kan slå os ud,” siger de.
    „Vi klarer alle problemer.”
De har munden fuld af forbandelser, løgn og trusler,
    deres ord skaber altid ødelæggelse.
De ligger på lur i mørket og myrder de uskyldige,
    de venter altid på et hjælpeløst bytte.
Som løver kryber de sammen, klar til spring,
    venter på at kaste sig over de svage.
Som jægere fanger de deres ofre i fælden
    og slæber dem bort i deres net.
10 De svage overmandes og segner,
    falder under de gudløses magt.
11 „Gud opdager det ikke,” siger de onde,
    „han vil aldrig få noget at vide.”

12 Grib ind, Herre! Løft din hånd og slå dem ned.
    Glem ikke de svage og undertrykte.
13 Skal de onde have lov at håne dig
    og sige: „Han vil ikke kræve os til regnskab.”?
14 Herre, du ser hver eneste ond handling.
    Du ser det og straffer dem.
De nødstedte regner med dig, Gud,
    for du er den, der hjælper de svage.
15 Sæt en stopper for de ondes adfærd,
    drag dem til ansvar for alle deres forbrydelser.

16 Herre, du er konge for evigt og altid.
    De gudløse skal ikke bo i dit land.
17 Herre, du ved, hvad de undertrykte længes efter.
    Du hører deres suk og trøster dem.
18 Du forsvarer de sårbare og svage,
    så ingen skal terrorisere dem længere.

Het Boek

Psalmen 10

1Waarom blijft de afstand
tussen U en mij
zo groot, Here?
Het lijkt wel
of U Zich juist voor mij verbergt
wanneer ik U het meest nodig heb.
Vol hoogmoed
achtervolgt de goddeloze de arme.
Laat het kwaad dat zij hebben bedacht,
toch op deze mensen zelf neerkomen!
Want mensen die U afwijzen
pochen over alles wat zij willen en kunnen,
zij wensen de hebzuchtige geluk,
maar de Here verachten zij.
Deze mensen,
hooghartig en trots als zij zijn,
denken dat er geen God is
die rekenschap vraagt.
In hun leven is geen plaats voor Hem.
Hun manier van leven en werken
brengt hun nog steeds geluk,
terwijl zij er niet aan denken
uw oordeel daarbij te betrekken.
Dit valt helemaal buiten hun gezichtsveld.
Ook over hun tegenstanders
halen zij minachtend hun schouders op.
Ze denken bij zichzelf:
‘Wie doet me wat?
Het gaat ons toch al jarenlang goed,
van vader op zoon?’
Bij het minste of geringste vloeken zij,
altijd bedriegen en misleiden zij
en bedenken zij onrecht.
Zij bevinden zich vaak
op geheime verblijfplaatsen,
op afgelegen plekken
vermoorden zij onschuldige mensen
en zij loeren op weerloze mensen.
Zij wachten hen stiekem op
als een leeuw die zijn prooi bespringt.
Zij leggen hinderlagen
om arme mensen te vangen
en trekken het net om hen aan.
10 De ongelukkige
wordt overweldigd door hun kracht
en bezwijkt onder hun mishandelingen.
11 God ziet het toch niet,
denken zij bij zichzelf.
En als Hij het al ziet,
vergeet Hij het wel weer.
Hij kan toch niet alles onthouden?
12 Here, grijp toch in!
O God, hef uw hand toch tegen hen op!
Denk alstublieft aan de armen!
13 Hoe komt het
dat goddelozen U verachten?
Zij denken dat U hen nooit
ter verantwoording zult roepen.
14 Here, U ziet wat zij doen.
U weet wat een ellende en verdriet zij veroorzaken.
Laat hen dan ook maar boeten, Here!
De arme mensen vertrouwen zich geheel aan U toe.
U bent de toevlucht voor wees en weduwe.
U staat bekend als degene
die de hulpelozen tegemoet komt en helpt.
15 Breek de macht van de boosdoeners, Here,
zodat zij niets meer kunnen.
Vervolg hen
tot er niet één meer in leven is.
16 De Here is Koning,
nu en tot in eeuwigheid!
Zij die God niet volgen,
moeten zijn land uit.
17 Here, U kent het hart
van de nederige mensen door en door.
U kent hun wensen,
uw hart gaat naar hen uit,
U luistert naar hen.
18 U doet recht
aan wezen en verdrukten.
Niemand krijgt meer de kans
hen uit het land te verjagen.