Bibelen på hverdagsdansk

Klagesangene 4

Hungersnødens gru

1Ak, Jerusalems guldklumper har mistet deres herlighed.
    Hendes hellige øjestene ligger og vansmægter på hvert gadehjørne.
Byens befolkning var deres vægt værd i guld,
    men nu ligger de som værdiløse lerkar, en pottemagers værk.
De vilde sjakaler giver deres unger die,
    men mit folks mødre er følelseskolde som ørkenens strudse.
Ethvert spædbarn skriger af tørst med tungen klæbende til ganen.
    Småbørn tigger om mad, men ingen har noget at give.
Folk, som var vant til festmiddage, er nu ved at forgå af sult.
    De, som levede i luksus, roder nu efter føde i rendestenen.
Går det ikke mit folk værre end Sodomas indbyggere?
    De døde dog på et øjeblik ved Herrens direkte indgreb.
Hendes fyrster havde hud som silke og struttede af sundhed,
    deres ansigter var rødmossede og håret skinnede så smukt.
Ingen ville kunne genkende dem nu, hvis de mødte dem på gaden,
    for de er det rene skind og ben med ansigter sorte som sod.
Ja, hellere dræbes af sværdet, end at dø langsomt af sult,
    fordi madforsyninger ikke kan komme ind i byen.
10 Kan man forestille sig, hvad der sker med en kærlig mor,
    som tvinges til at koge og spise sine børn for at overleve?
11 Landet er lamslået over Herrens forfærdelige vrede.
    Jerusalem er ødelagt og brændt ned til grunden.
12 Man mente ikke, det kunne lade sig gøre at indtage Jerusalem.
    Ingen af jordens konger troede, det var muligt.
13 Nedsablingen skete, fordi profeter og præster havde syndet.
    De havde myrdet uskyldige folk midt i Herrens hellige by.
14 Overalt i byen raver folk rundt i blinde.
    De kan ikke undgå at røre ved blod, og derfor er de urene.
15 „Pas på!” advarer folk hinanden, „der kommer en uren!”
    Flygter de, siger de fremmede folkeslag: „Her kan I ikke bo!”
16 Respekt for præsterne og landets ledere hører fortiden til,
    for Herren har slået hånden af dem og spredt dem for alle vinde.
17 Skildvagterne stod og spejdede efter hjælp, men forgæves.
    Ingen af vores allierede havde magt til at redde os.
18 Tidspunktet nærmede sig, hvor alt var forbi.
    Vi kunne ikke gå ud på gaden af frygt for at blive dræbt.
19 Uden at vise nåde kastede fjenderne sig over os som gribbe.
    De forfulgte os i bjergene og lå på lur efter os i ørkenen.
20 Vores egen konge, Herrens udvalgte, gik lige i deres fælde,
    han, som vi troede kunne beskytte os fra enhver fjende.
21 Østpå glæder I jer, Edoms folk, for denne gang var det ikke jer, der blev ramt.
    Men en dag skal også I drikke Herrens vredes vin, så I mister besindelsen.
22 Åh, Jerusalem, din straf var hård, men en dag bliver du genoprettet.
    Edoms folk, derimod, vil blive straffet, fordi de svigtede os.

Het Boek

Klaagliederen 4

De zonde van het volk en de toorn van God

1Ach, hoe heeft het goud zijn glans verloren, hoe dof is het geworden, de edelstenen van de tempel liggen verstrooid in de straten!
De jongeren van Jeruzalem, ieder hun gewicht in goud waard, zijn behandeld als aardewerken potten, als het werk van mensenhanden!
Zelfs de jakhalzen voeden hun jongen, maar mijn volk Israël doet dat niet. Zij lijken op wrede struisvogels uit de woestijn, die geen acht slaan op de kreten van hun jongen.
De tongen van de babyʼs plakken aan hun gehemelte, want er is geen druppel water overgebleven. Kinderen schreeuwen om brood, maar niemand kan hun iets geven.
Mensen die vroeger lekkernijen aten, zitten nu op straat te bedelen om maar iets te kunnen eten. Zij die in paleizen werden grootgebracht, grabbelen nu in de vuilnis op zoek naar voedsel.
Want de zonde van mijn volk is groter dan die van Sodom, waar zich in één ogenblik een vreselijke ramp voltrok, waaraan geen mensenhand te pas kwam.
Onze prinsen waren smetteloos en witter dan melk, de mooiste mannen die er waren.
Maar nu zijn hun gezichten zo zwart als roet. Niemand herkent hen nog. Hun huid kleeft aan hun botten: hard, droog en verweerd.
Die met het zwaard werden gedood, zijn beter af dan zij die een langzame hongerdood moeten sterven.
10 Gevoelige vrouwen hebben zelfs hun eigen kinderen gekookt en opgegeten, op die manier overleefden zij het beleg.
11 Met volle kracht heeft de Here zijn toorn laten woeden, al zijn toorn kwam tot ontlading. Hij stak een vuur aan in Jeruzalem dat de stad tot op haar fundamenten in de as legde.
12 Geen koning ter wereld, geen enkel volk op aarde, zou hebben geloofd dat een vijand door de poorten van Jeruzalem naar binnen kon marcheren!
13 Maar toch stond God dit toe vanwege de zonden van haar profeten en priesters die de stad ontheiligden door onschuldig bloed te vergieten.
14 Nu wankelen deze zelfde mannen als blinden door de straten, besmeurd met bloed zodat niemand hen durft aan te raken.
15 ‘Maak dat je wegkomt,’ roepen de mensen hen toe. ‘Jullie zijn onrein! Ga weg. Raak ons niet aan!’ Zij vluchten naar andere landen en dwalen daar tussen de buitenlanders, maar niemand zal hun toestaan te blijven.
16 De Here heeft hen zover verspreid, Hij helpt hen niet langer, want zij onderdrukten de priesters en leiders die trouw bleven aan God.
17 Wij kijken uit of onze bondgenoten al in aantocht zijn om ons te helpen, maar tevergeefs. Het volk waarop wij het meest rekenden voor hulp, doet helemaal niets.
18 Als wij op straat komen, begeven wij ons in levensgevaar. Ons einde is nabij, onze dagen zijn geteld.
19 Onze achtervolgers zijn sneller dan arenden, ook al vluchten wij de bergen in, dan vinden zij ons nog. Als wij ons in de wildernis willen verbergen, staan zij ons daar op te wachten.
20 Onze koning—de adem van ons volksleven, de gezalfde van de Here—werd in hun valstrikken gevangen. Ja, zelfs onze machtige koning, van wie wij dachten dat wij onder zijn leiding rustig te midden van de volken zouden kunnen leven!
21 Volk van Edom, vier uw feest in het land van Uz. Ook ú zult kennismaken met de vreselijke toorn van de Here.
22 Eens zal een einde komen aan de ballingschap, de straf die Israël om haar zonden kreeg opgelegd, maar de zonden van Edom zullen worden blootgelegd en de Here zal dit volk oordelen.