Bibelen på hverdagsdansk

Job 18

Bildads anden tale til Job

1Nu gik Bildad igen i rette med Job:

„Hold nu op med al din snak, Job!
    Kom til fornuft, så vi kan tale sammen.
Hvad regner du os egentlig for?
    En flok dumme, umælende får?
Du opnår intet ved at pine og plage dig selv.
    Verden går videre, uanset hvad du gør.
Synd fører nu engang til straf,
    og de ondes livslys slukkes.
Mørket indhyller deres bolig,
    og de får et ulykkelig endeligt.
Deres faste skridt bliver usikre,
    de snubler over deres egne ben.
Deres fødder fører dem til fald,
    de er ude på gyngende grund.
De går lige i fælden og sidder fast i saksen,
    får en løkke om foden og kan ikke komme fri.
10 En skjult snor er spændt ud over vejen,
    et reb ligger parat som en løkke.
11 Rædselen kommer imod dem fra alle sider,
    angsten er lige i hælene på dem.
12 Deres livskraft udtæres,
    undergangen ligger på lur efter dem,
13 sygdom æder dem langsomt op,
    døden har lagt sin klamme hånd på dem.
14 De trækkes ud af deres trygge bolig
    og føres frem til den frygtelige død.
15 Ild og svovl regner ned over dem,
    deres ejendom bliver omdannet til aske.
16 De er som et træ med udtørrede rødder,
    hvor alle grenene er ved at visne.
17 Ingen mindes dem, når de er borte,
    deres navne går hurtigt i glemmebogen.
18 De udslettes fra jordens overflade,
    skubbes fra lyset ind i mørket.
19 De efterlader sig ingen arvinger,
    deres slægt uddør med dem.
20 Alle, som hører om deres ulykke,
    gribes af gru og forfærdelse.
21 Ja, sådan går det onde mennesker,
    dem, der ikke har ærefrygt for Gud.”

Het Boek

Job 18

Het antwoord van Bildad

1Opnieuw antwoordde Bildad:

‘Hoe lang wil je dit woordenspel nog volhouden? Spreek toch eens verstandig als je wilt dat wij antwoord geven!
Beschouw je ons soms als vee dat te stom is om te kunnen praten en denken?
Denk je dat de aarde beeft, omdat jij jezelf verscheurt in je toorn? Moet voor jou de wereld veranderd worden, moeten de bergen voor jou opzij gaan?
Toch blijft het waar dat de goddelozen snel aan hun einde komen en dat hun licht wordt gedoofd en hun vlam geblust.
In elk huis waar de goddeloosheid heerst, zal het donker worden.
De zelfbewuste stap van de goddeloze mens verslapt en hij zal het slachtoffer worden van zijn eigen plannen.
8,9 Hij trapt in de val en zit muurvast. Rovers overvallen hem.
10 Op elk pad dat hij kiest, ligt een valstrik voor hem klaar.
11 Hij heeft een goede reden om bang te zijn, talloze gevaren liggen overal op de loer.
12 Rampen overvallen hem wanneer hij zwak is.
13 Het onheil vreet aan zijn huid, de dood zal hem verslinden.
14 Hij zal uit zijn veilige huis worden weggesleurd en weggevoerd naar de koning der verschrikkingen.
15 Zijn huis zal verdwijnen onder een vurige laag zwavel.
16 Zijn wortels drogen op in de grond en zijn takken sterven af.
17 Elke herinnering aan zijn aardse bestaan zal verdwijnen, niemand van zijn landgenoten zal zich hem herinneren.
18 Hij zal vanuit het licht de duisternis worden ingedreven en uit de wereld worden weggejaagd.
19 Hij heeft geen kinderen, geen afstammelingen onder zijn volk, geen enkele overlevende op de plaats waar hij eens woonde.
20 Uit alle streken zullen zij beven van angst als zij zien welk lot hem treft.
21 Ja, dat gebeurt met zondaars, met mensen die God de rug toekeren!’