Bibelen på hverdagsdansk

Dommer 5

Deboras sejrssang

1Den dag sang Debora og Barak følgende sejrssang:

Når Israels ledere fører an,
    når folket villigt følger med,
        da skal I prise Herren.
Hør, I høvdinger, lyt, I fyrster!
    Jeg vil synge for Herren og spille for Israels Gud.

Herre, da du førte dit folk op fra Seir,
    da du ledte os fra Edoms land,
da skælvede og rystede jorden,
    himlen kunne ikke holde tæt,
        skyerne rystede regnen af sig.
Bjergene bævede for Herren,
    Sinai skælvede for Israels Gud.

Men på Shamgars tid gemte man sig,
    på Jaels tid lå vejene øde,
        folk sneg sig af sted ad de afsides stier.
Bønderne holdt sig bag storbyens mure,
    landsbyidyl var en saga blot,
indtil jeg, Debora, stod frem
    og blev som en mor for Israel.

Da Israel valgte sig nye guder,
    blev der ufred og kaos overalt.
Der var fyrre tusind krigere i Israel,
    men hvor så man et skjold eller spyd?

Mit hjerte banker for Israels ledere
    og for folket, der frivilligt fulgte dem.
        Pris Herren for dem!

10 I, som rider på glinsende æsler,
    I, som sidder på fornemme sadeltæpper,
        I, som vandrer til fods på vejen, hør efter!
11 Lyt til vanddragerne ved brøndens vandtrug.
    De synger om Herrens sejre og Israels bønders bedrifter.
Herrens folk kom i flok,
    i byporten råbte de:
12 „Træd frem, Debora, træd frem og syng krigssange!
    Rejs dig, Barak, rejs dig, kom og tag fjender til fange!”
13 Den gudfrygtige rest sluttede sig til hæren.
    Herrens folk kom til mig og krigerne.
14 De kom fra Efraims land,
    som engang tilhørte Amalek.
Nogle kom helt fra Benjamins land.
Fra Makir kom mægtige krigere,
    fra Zebulon stærke ledere,
15 Issakars hærførere sluttede op om Debora,
    de løb med Barak ned ad bjerget.
Rubens klaner var ubeslutsomme:
16     Hvorfor blev I siddende mellem kvægfoldene?
Var det for at høre hyrderne fløjte?
    Rubens klaner var for ubeslutsomme.
17 Gileads folk blev på den anden side af Jordanfloden.
    Hvorfor blev Dan ved sine skibe?
Asher sad stille ved havets vande,
    han blev i sin sikre havn.
18 Men Zebulon satte livet på spil,
    Naftali sloges på slagmarken.

19 Kanaʼans konger kom til Taʼanak,
    de væbnede sig til kamp ved Megiddos vande.
Men sejren gled dem af hænde,
    krigsbytte fik de intet af.
20 Himlens kræfter kæmpede for os,
    tordnede og lynede mod Siseras hær.
21 Kishons vand svulmede med stormflods styrke,
    den gamle bæk fejede fjenden væk.
Fat mod, min sjæl,
    løb frem med styrke.
22 Da hamrede hingstenes hove,
    i galop fór de frem.
23 „Forbandet være dem, der holdt sig tilbage!”[a]
    sagde Herrens engel.
„De kom ikke Herren til hjælp
    imod hans vældige fjender.”
24 Velsignet blandt kvinder er Jael,
    kenitten Hebers kone.
Hun er den mest velsignede
    af alle kvinder, der bor i telte.
25 Sisera bad om vand,
    men Jael gav ham mælk,
        tykmælk i en fornem skål.
26 Hun holdt en teltpløk i venstre hånd,
    en hammer i højre.
Hun hamrede pløkken gennem Siseras tinding,
    hun gennemborede hans hoved.
27 Han lå død mellem benene på hende.
    En fældet fjende—stendød.
28 Siseras mor venter ved vinduet,
    hun spejder gennem gitteret:
„Hvorfor kommer han dog ikke?
    Hvornår hører vi hestenes hove?”
29 En hofdame giver hende et svar,
    det samme, hun selv har tænkt:
30 „Krigsbyttet skal nok deles,
    en pige eller to til hver kriger,
prægtige klæder til Sisera
    og smukt broderet tøj til hans mor.”
31 Herre, må alle din fjender
    gå til grunde som Sisera,
men må de, som elsker dig,
    stråle som den opgående sol.

Derefter var der fred i landet i 40 år.

  1. 5,23 Mere ordret: „I skal forbande Merotz” (betyder måske tilflugtssted). Enten er Merotz et ukendt stednavn eller en beskrivelse af dem, der ville redde sig selv frem for at være med i kampen.

Het Boek

Richteren 5

Het lied van Debora en Barak

1Toen zongen Debora en Barak, de zoon van Abinoam, het volgende lied op de geweldige overwinning:

‘Prijs de Here! Israëls bevelhebbers namen de leiding en het volk volgde vrijwillig!
Luister, koningen en vorsten, want ik zal zingen voor de Here, psalmen zingen voor de God van Israël.
Here, toen U uit Seïr trok, uit de velden van Edom, beefde de aarde en stroomde de regen uit de hemel.
De bergen wankelden voor de Here, de God van Israël, ja, óók de berg Sinaï.
In de dagen van Samgar, de zoon van Anath, en in de dagen van Jaël lagen de hoofdwegen verlaten. Reizigers gebruikten de smalle, kronkelende zijpaden.
Er waren geen leiders in Israël, totdat ik, Debora, opstond als een moeder voor Israël.
Als Israël nieuwe goden uitkoos, stond de vijand voor haar poorten. Maar bij de veertigduizend soldaten van Israël was geen schild of speer te vinden!
Ik verheug mij over Israëls leiders, die zich zo vrijwillig aanboden. Prijs de Here voor zulke mannen!
10 Maak het overal bekend, rijken die op ezelinnen met zachte zadels rijden en armen die te voet over de wegen moeten gaan.
11 Laten de muzikanten zich bij de dorpsbron verzamelen om de overwinningen van de Here te bezingen en te zingen van de overwinning die de leiders van Israël hebben behaald terwijl het volk van de Here door de poorten marcheerde.
12 Word wakker, word wakker, Debora, en zing een lied! Vooruit, Barak! Voer uw krijgsgevangenen weg, zoon van Abinoam!
13 De ware helden daalden de berg Tabor af. Het volk van de Here rukte op tegen een grote overmacht.
14 Bij Israëls leger sloten zich Amalekieten uit Efraïm aan, gevolgd door mannen uit Benjamin. Er kwamen ook leiders uit Machir bij en legeraanvoerders uit Zebulon.
15 De vorsten van Issachar marcheerden in de gelederen mee, samen met Debora en Barak. Zij stormden het dal in, maar de stam Ruben ging niet mee.
16 Waarom bleef u thuis zitten bij de veestallen, luisterend naar het fluitspel van de herders? Ja, de stam Ruben kon maar niet tot een besluit komen.
17 Waarom bleef Gilead rustig aan de overkant van de Jordaan zitten? Waarom bleef Dan bij zijn schepen? En waarom bleef Aser aan de zeekust zitten en verliet zijn havens niet?
18 Maar Zebulon en Naftali uit de hoogvlakten, dat zijn stammen die hun leven gewaagd hebben.
19 De koningen van Kanaän rukten op naar Taänach en vochten daar bij de rivieren bij Megiddo. Maar geen stukje zilver viel als buit in hun handen!
20 Vanuit hun baan langs de hemel vochten de sterren tegen Sisera.
21 Door het geweld van de beek Kison werd de vijand meegesleurd.—Verder moet ik, onverschrokken!
22 Hoor het dreunen van de paardenhoeven van de vijand! Hoor ze eens galopperen!
23 Maar de Engel van de Here zei: vervloekt zijn de burgers van de stad Meroz, omdat zij de Here niet hebben geholpen in de strijd tegen de vijanden.
24 Maar Jaël, de vrouw van de Keniet Eber, zij geprezen boven alle vrouwen die in tenten wonen.
25 Hij vroeg haar om water en zij gaf hem melk, zij bracht hem room in een prachtige kom.
26 Toen pakte zij een tentharing en een timmermanshamer en hamerde op Sisera, doornagelde zijn hoofd, verbrijzelde en doorboorde zijn slapen.
27 Voor haar voeten kromp hij ineen, viel neer en bleef liggen. Ja, hij kromp ineen en bleef ter plekke dood liggen.
28 Siseraʼs moeder keek uit het raam en riep luid: “Waarom zie ik zijn strijdwagen nog steeds niet komen? Waar blijft het ratelende geluid van zijn wagens?”
29 Maar enkele verstandige hofdames—en ook zijzelf—gaven ten antwoord:
30 “Er is natuurlijk veel buit te verdelen. Dat kost tijd. Iedere man krijgt een paar meisjes, en Sisera zal prachtige geborduurde kleren buitmaken en talrijke geschenken voor mij meenemen.”
31 Och, Here, laten al uw vijanden net als Sisera omkomen! Maar zij die U liefhebben, zullen krachtig stralen als de opgaande zon.’
Daarna heersten er veertig jaar rust en vrede in het land.