Bibelen på hverdagsdansk

4. Mosebog 1:1-54

Israels første folketælling

1På den første dag i den anden måned1,1 Den anden måned svarer til april-maj. året efter, at israelitterne havde forladt Egypten, talte Herren til Moses i åbenbaringsteltet, mens folket opholdt sig i Sinais ørken.

Herren sagde: 2-4„Lav en liste over alle våbenføre mænd over 20 år med deres stamme- og slægtsnavne. Du og Aron skal være ansvarlige for optællingen, som skal uddelegeres til en leder fra hver enkelt stamme. 5Følgende ledere skal hjælpe jer: fra Rubens stamme: Elitzur, Shedeurs søn; 6fra Simeons stamme: Shelumiel, Zurishaddajs søn; 7fra Judas stamme: Nahshon, Amminadabs søn; 8fra Issakars stamme: Netanel, Suars søn; 9fra Zebulons stamme: Eliab, Helons søn; 10fra Efraims, Josefs søns, stamme: Elishama, Ammihuds søn; fra Manasses, Josefs søns, stamme: Gamliel, Pedasurs søn; 11fra Benjamins stamme: Abidan, Gidonis søn; 12fra Dans stamme: Ahiezer, Ammishaddajs søn; 13fra Ashers stamme: Pagiel, Okrans søn; 14fra Gads stamme: Eljasaf, Deuels søn; 15fra Naftalis stamme: Ahira, Enans søn.” 16Disse mænd var ledere blandt folket, overhoveder for hver deres slægt.

17-46Samme dag sammenkaldte Moses, Aron og de ovennævnte ledere samtlige våbenføre mænd i Israel over 20 år. Hver person fik besked på at oplyse sit stamme- og slægtsnavn, sådan som Herren havde befalet Moses. Her følger den samlede opgørelse: Jakobs førstefødte søns, Rubens, stamme: 46.500; Simeons stamme: 59.300; Gads stamme: 45.650; Judas stamme: 74.600; Issakars stamme: 54.400; Zebulons stamme: 57.400; Efraims, Josefs søns, stamme: 40.500; Manasses, Josefs søns, stamme: 32.200; Benjamins stamme: 35.400; Dans stamme: 62.700; Ashers stamme: 41.500; Naftalis stamme: 53.400. Det samlede antal våbenføre mænd udgjorde 603.550 personer.

47-49Dette tal indbefatter dog ikke levitterne, for Herren havde sagt til Moses: „Du må ikke bruge levitterne som soldater, og du skal ikke tage dem med på listen. 50Jeg har nemlig givet dem ansvar for at tage sig af min bolig, det hellige telt, som indeholder pagtens ark. Derfor skal de altid have deres lejr i nærheden af boligen. 51Det er levitternes opgave at pakke teltet sammen og rejse det igen, og hvis nogen andre blander sig i den opgave eller blot rører ved teltet, skal de henrettes. 52Resten af Israels stammer skal tildeles hver deres lejrplads med hver deres banner, 53men levitterne skal slå lejr rundt om teltet med pagtens ark, så de udgør en mur mellem folket og Herren, for at ingen af de menige israelitter skal komme til at røre ved teltet og rammes af Herrens vrede.”

54Israels folk fulgte omhyggeligt de befalinger, som Herren havde givet Moses.

Het Boek

Numeri 1:1-54

De telling

1Op de eerste dag van de tweede maand in het tweede jaar na de uittocht uit Egypte, terwijl Mozes zich bevond in de tabernakel in het kamp van Israël, in de woestijn op het schiereiland Sinaï, gaf de Here hem de volgende opdracht:

2-15‘Houd een telling onder de mannen van twintig jaar en ouder die geschikt zijn om in het leger van Israël te vechten, ingedeeld naar hun stammen en families. U en Aäron hebben de leiding van de telling en één man uit elke stam zal u assisteren: voor de stam Ruben: Elisur, zoon van Sedeür. Voor de stam Simeon: Selumiël, zoon van Surisaddai. Voor de stam Juda: Nachson, zoon van Amminadab. Voor de stam Issachar: Netanel, zoon van Suar. Voor de stam Zebulon: Eliab, zoon van Chelon. Voor de stam Efraïm, zoon van Jozef: Elisama, zoon van Ammihud. Voor de stam Manasse, zoon van Jozef: Gamliël, zoon van Pedasur. Voor de stam Benjamin: Abidan, zoon van Gidoni. Voor de stam Dan: Achiëzer, zoon van Ammisaddai. Voor de stam Aser: Pagiël, zoon van Ochran. Voor de stam Gad: Eljasaf, zoon van Deüel. Voor de stam Naftali: Achira, zoon van Enan.’

16Dit zijn de leiders van de stammen die uit het volk werden gekozen. 17-19Diezelfde dag nog riepen Mozes, Aäron en de bovengenoemde leiders alle mannen van twintig jaar en ouder bijeen om zich te laten tellen. De mannen stelden zich op volgens stam en familie, zoals de Here Mozes had opgedragen, en hij telde hen.

20-46Hier volgt het resultaat van de telling: de stam Ruben: 46.500; de stam Simeon: 59.300; de stam Gad: 45.650; de stam Juda: 74.600; de stam Issachar: 54.400; de stam Zebulon: 57.400; de stam Efraïm (zoon van Jozef): 40.500; de stam Manasse (zoon van Jozef): 32.200; de stam Benjamin: 35.400; de stam Dan: 62.700; de stam Aser: 41.500; de stam Naftali: 53.400; totaal: 603.550.

47-49Bij dit totaal zijn de Levieten niet inbegrepen, want de Here had tegen Mozes gezegd: ‘Houd de stam Levi apart en tel hun aantal niet, 50want zij zijn aangewezen voor het werk in de tabernakel en zorgen ook voor de verplaatsing ervan. Zij moeten dicht bij de tabernakel wonen 51en als hij moet worden verplaatst, moeten de Levieten hem afbreken en weer opbouwen. Iemand anders die de tabernakel aanraakt, moet ter dood worden gebracht.

52Elke stam van Israël zal een eigen plaats in het kamp hebben met een eigen banier. 53De tenten van de Levieten zullen rondom de tabernakel worden gegroepeerd als een muur tussen het volk Israël en Gods grote toorn, om hen te beschermen tegen zijn vreselijke toorn over hun zonden.’ 54Zo werden de opdrachten die de Here Mozes had gegeven, uitgevoerd.