La Bible du Semeur

Psaumes 73

20 Ici s’achève le recueil des prières de David, fils d’Isaï.

Troisième livre

Pourquoi les méchants réussissent-ils?

1Psaume d’Asaph[a].

Oui, Dieu est bon pour Israël,
pour tous ceux qui ont le cœur pur.
Pourtant, il s’en fallut de peu que mes pieds ne trébuchent,
un rien de plus, et je tombais.
J’étais jaloux des arrogants
en voyant la tranquillité des gens méchants.
Car ils sont exempts de tourments; jusqu’à leur mort[b]
et ont de l’embonpoint.
Ils passent à côté des peines qui sont le lot commun des hommes.
Ils ne subissent pas les maux qui frappent les humains.
Aussi s’ornent-ils d’arrogance comme on porte un collier,
ils s’enveloppent de violence comme d’un vêtement,
leurs yeux sont pétillants dans leur visage plein de graisse,
les mauvais désirs de leur cœur débordent sans mesure.
Ils sont moqueurs, ils parlent méchamment
et, sur un ton hautain, menacent d’opprimer.
Leur bouche s’en prend au ciel même,
leur langue sévit sur la terre.

10 Aussi le peuple les suit-il,
buvant à longs traits leurs paroles,
11 tout en disant: «Dieu? Que sait-il?
Celui qui est là-haut connaît-il quelque chose?»
12 Voilà comment sont les méchants:
toujours tranquilles, ils accumulent les richesses.
13 Alors, c’est donc en vain que je suis resté pur au fond de moi,
que j’ai lavé mes mains pour les conserver innocentes!
14 Tous les jours, je subis des coups,
je suis châtié chaque matin!
15 Si je disais: «Parlons comme eux»,
alors je trahirais tes fils.

16 Je me suis mis à réfléchir: pour tenter de comprendre;
cela était pour moi un sujet de tourment,
17 jusqu’à ce que je me rende au sanctuaire de Dieu[c].
Alors j’ai réfléchi au sort qui les attend.
18 Car, en fait, tu les mets sur un terrain glissant,
tu les entraînes vers la ruine.
19 Comme soudain les voilà dévastés!
Ils sont détruits et emportés par l’épouvante.
20 Comme les images du rêve s’évanouissant au réveil,
Seigneur, quand tu interviendras, tu feras d’eux bien peu de cas.

21 Oui, quand j’avais le cœur amer
et que je me tourmentais intérieurement,
22 j’étais un sot, un ignorant,
je me comportais avec toi comme une bête.
23 Mais je suis toujours avec toi,
et tu m’as saisi la main droite,
24 par ton conseil, tu me conduis,
puis tu me prendras dans la gloire.
25 Qui ai-je au ciel, si ce n’est toi?
Et que désirer d’autre sur cette terre car je suis avec toi?
26 Mon corps peut s’épuiser et mon cœur défaillir,
Dieu reste mon rocher, et mon bien précieux pour toujours.
27 Qui t’abandonne se perdra,
et tu anéantiras tous ceux qui te sont infidèles.
28 Tandis que mon bonheur à moi, c’est d’être près de Dieu.
J’ai pris le Seigneur, l’Eternel, comme refuge
et je raconterai toutes ses œuvres.

Notas al pie

  1. 73.1 Voir note 50.1.
  2. 73.4 jusqu’à leur mort : en coupant autrement les mots hébreux, on comprend: ils ont la santé.
  3. 73.17 Autres traductions: dans le sanctuaire, ou dans le dessein, les secrets, les mystères de Dieu.

Het Boek

Psalmen 73

1Een psalm van Asaf.

God is zeker goed voor zijn volk Israël,
Hij is goed voor alle mensen die een zuiver hart bezitten.
Wat mijzelf betreft:
bijna had ik het rechte pad verlaten,
bijna was ik uitgegleden.
Dat komt doordat ik jaloers was op de trotse mensen,
toen ik zag hoe voorspoedig de ongelovigen leefden.
Zij lijken geen problemen te kennen,
ook lichamelijk niet:
zij zien er gezond en weldoorvoed uit.
Zij weten niet wat zorgen zijn
en niemand legt hun een strobreed in de weg.
Daarom dragen zij hun trots als een halsketting
en pronken zij met geweld alsof het dure kleren zijn.
Hun gezicht is pafferig van het vet.
Zij verbeelden zich van alles.
Zij steken overal de spot mee
en spreken kwaadaardig
over het onderdrukken van andere mensen.
Hun taal is gezwollen, trots en uit de hoogte.
Zij zetten een grote mond op tegen God
en verachten de mensen.
10 Het volk houdt rekening met hen
en zij profiteren ervan.
11 Zij zeggen: ‘God kan niet alles weten.
De Allerhoogste heeft wel iets anders te doen
dan Zich met ons te bemoeien.’
12 Kijk, zo leven nu de ongelovigen.
Zonder zorgen worden zij alleen maar rijker en rijker.
13 Voor niets heb ik zuiver geleefd,
mij ver gehouden van onrecht.
14 De hele dag word ik gekweld,
elke morgen voel ik mijn straf.
15 Als ik echter net zo had gehandeld en gesproken,
hoorde ik niet meer bij U.
16 Ik heb mij het hoofd gebroken hoe dit mogelijk was.
In mijn ogen was het onbegrijpelijk en onaanvaardbaar.
17 Maar uiteindelijk ging ik Gods huis binnen
en zag hoe het met de ongelovigen afliep.
18 Werkelijk, U laat hen op gladde wegen lopen en uitglijden.
U laat hen ten slotte ineenstorten en een ruïne worden.
19 In een oogwenk veranderen zij
en bekijkt ieder hen met afgrijzen.
Dan zijn ze weg, omgekomen door rampen.
20 Zoals een droom na het ontwaken niet echt blijkt te zijn,
zo ontkent U, Here, hun bestaan
als U erbij wordt betrokken.
21 Toen bitterheid in mijn hart opkwam
en ik opstandig en geprikkeld was,
22 reageerde ik als een dwaas zonder inzicht.
Ik gedroeg mij onredelijk tegenover U.
23 Toch zal ik altijd bij U blijven,
U houdt mij stevig vast.
24 Door uw raadgevingen zal ik mij laten leiden
en wanneer ik eenmaal sterf,
mag ik in uw heerlijkheid bij U komen.
25 Wie of wat heb ik, buiten U, nog nodig?
Als ik U heb, heb ik verder niets nodig
en verlang ik niets meer.
Noch op aarde, noch in de hemel.
26 Al zou ik geestelijk en lichamelijk bezwijken,
mijn hart vertrouwt op God,
Hij is mijn rots.
Voor eeuwig houdt Hij mij vast.
27 Het is duidelijk: wie niet met U leven,
gaan hun ondergang tegemoet.
U vernietigt ieder die U verlaat en andere goden dient.
28 En ik? Ik ben gelukkig als ik dicht bij God ben.
De Almachtige Here is mijn toevluchtsoord.
Ik wil iedereen over uw werk vertellen.