La Bible du Semeur

Psaumes 31

J’ai mis ma confiance en l’Eternel

1Au chef de chœur. Psaume de David.

C’est en toi, Eternel, |que je cherche un refuge.
Que jamais cela ne tourne à ma confusion !
Toi qui es juste, |délivre-moi[a],
tends l’oreille vers moi !
Viens vite ! Viens me délivrer !
Sois pour moi un rocher |entouré de murailles, |une solide forteresse
où je trouverai le salut !
Oui, tu es pour moi un rocher, |et une forteresse :
à cause de ce que tu es, |toi, tu me guideras |et tu me conduiras.
Du piège que l’on m’a tendu |tu me feras sortir,
puisque tu es ma forteresse.

Je remets mon esprit |entre tes mains[b],
tu m’as libéré, Eternel, |toi, le Dieu véritable.
Je les hais, tous ceux qui s’attachent |à des idoles de néant ;
je me confie en l’Eternel.
Ton amour me fait jubiler, |il me remplit de joie
puisque tu as vu ma misère,
que tu as porté attention |à ma grande détresse.
Tu ne m’as pas abandonné |au pouvoir de mes ennemis,
et tu m’as mis au large.

10 Aie pitié de moi, Eternel, |je suis dans la détresse,
le chagrin me ronge les yeux, |l’âme et le corps entier.
11 Ma vie se consume en tourments,
mes années en gémissements.
Les forces m’abandonnent |à cause de ma faute[c]
et mon corps dépérit.
12 A cause de mes ennemis, |je dois porter l’opprobre,
de mes voisins, je suis la honte
et je fais peur |à ceux qui me connaissent.
Ceux qui me croisent en chemin |s’écartent loin de moi[d].
13 Ils m’ont rayé de leur mémoire : |me voilà comme un mort,
je suis comme un objet perdu.
14 J’entends toutes les médisances |que l’on répand à mon sujet.
Autour de moi, c’est la terreur :
ils se concertent contre moi,
ils forment des complots |pour m’enlever la vie[e].

15 Mais moi, ô Eternel, |je me confie en toi.
Je dis : « Tu es mon Dieu ! »
16 Mes destinées sont dans ta main.
Délivre-moi |de la main de mes ennemis, |car ils s’acharnent contre moi.
17 Regarde-moi avec bonté : |je suis ton serviteur !
Viens me sauver dans ton amour !
18 Que je ne sois pas dans la honte, |ô Eternel, quand je t’invoque,
mais que les méchants soient honteux
et réduits au silence |dans le séjour des morts !
19 Qu’ils soient rendus muets |tous ces menteurs aux lèvres fausses
qui parlent avec arrogance |contre le juste,
avec orgueil, avec mépris.

20 Combien est grande la bonté
que tu tiens en réserve |en faveur de ceux qui te craignent,
et que tu viens répandre, |sur ceux qui s’abritent en toi,
au vu de tous les hommes.
21 Auprès de toi, |tu leur donnes un refuge |loin des machinations des hommes.
Tu les préserves dans ta tente |des langues médisantes.
22 Béni soit l’Eternel,
car il m’a témoigné |son merveilleux amour
lorsque je me trouvais |dans une cité assiégée.
23 Désemparé, je me disais :
« Il ne se soucie plus de moi. »
Mais tu m’as entendu |quand je te suppliais,
quand je t’appelais à mon aide.

24 Soyez remplis d’amour |pour l’Eternel, |vous qui lui êtes attachés !
L’Eternel garde |ceux qui lui sont fidèles,
mais il punit sévèrement |les arrogants.
25 Soyez forts et prenez courage,
vous qui vous attendez |à l’Eternel.

Notas al pie

  1. 31.2 Pour les v. 2-4, voir 71.1-3.
  2. 31.6 Cité en Lc 23.46.
  3. 31.11 Autre traduction : à cause de ma misère.
  4. 31.12 Voir 38.12 ; 41.10 ; 69.9 ; 88.9, 19 ; Jb 19.13-19 ; Jr 12.6 ; 15.17.
  5. 31.14 Voir Jr 6.25 ; 20.3, 10 ; 46.5 ; 49.29.

Het Boek

Psalmen 31

1Een psalm van David voor de koordirigent.

Ik verberg mij bij U, Here.
Geef dat ik nooit tevergeefs bij U aanklop.
Doe mij recht en bevrijd mij.
Luister toch naar mij en red mij vlug.
Wees voor mij als een rots die beschutting biedt,
als een sterke burcht, zodat ik word gered.
Want U bent voor mij een rots en een burcht,
om de eer van uw naam
zult U mij leiden op mijn weg.
U zult mij redden uit de valstrik
die voor mij was uitgezet.
Ik vertrouw U helemaal.
Mijn leven leg ik in uw handen,
want U zult mij zeker bevrijden,
Here, mijn trouwe God.
Ik haat mensen die waarde hechten
aan onbelangrijke en ijdele dingen.
Zelf vertrouw ik alleen op de Here.
Ik zing het uit
en verblijd mij over uw goedheid en liefde.
Want U hebt naar mij omgezien
in mijn ellendige toestand,
U kende mijn angst en spanningen.
U zorgde ervoor dat de vijand
mij niet de baas werd.
U hebt mij alle ruimte gegeven.
Ik kon gaan waar ik wilde.
10 Help mij met uw genade, Here,
ik heb het zó moeilijk!
Alles in mij kwijnt weg van narigheid.
Het verdriet overmant mij!
11 Mijn leven gaat voorbij in verdriet
en jarenlang leef ik zuchtend.
Door mijn eigen slechtheid
heb ik geen kracht meer over
en lichamelijk ga ik alleen maar achteruit.
12 Voor hen die het mij moeilijk maken,
ben ik een mikpunt van spot geworden,
vooral voor mijn buren.
Vrienden en bekenden schrikken als zij mij zien.
Wie mij op straat tegenkomt, maakt rechtsomkeert.
13 Men denkt niet meer aan mij,
het lijkt wel of ik dood ben voor anderen.
Als gebroken servies ben ik, waardeloos.
14 Ik hoor het wel hoe men achter mijn rug over mij praat.
De achterklap: ‘Heb je hém gezien?’
Zij overleggen met elkaar
en maken plannen mij van het leven te beroven.
15 Toch is mijn vertrouwen op U gevestigd, Here,
ik spreek het ook tegen U uit:
‘U bent mijn God.
16 U bepaalt hoe lang ik leef,
verlos mij van mijn vijanden en achtervolgers.
17 Laat uw licht over mij, uw dienaar, schijnen
en bevrijd mij door uw goedheid en trouw.
18 Ik roep tot U, Here,
beschaam mijn vertrouwen niet.
Laat hen die zonder U leven,
beschaamd staan.
Breng hen tot zwijgen in het dodenrijk.
19 Breng de leugenaars tot zwijgen.
Die spreken toch alleen maar trots en smalend tegen uw volgeling.
20 Wat een geweldige rijkdom wacht degenen
die ontzag voor U hebben, allen die bij U schuilen.
Zelfs de ongelovigen zullen het zien.
21 U verbergt de uwen en beschermt hen
tegen de aanvallen van de mensen.
U neemt hen op in uw huis waar ze veilig zijn voor roddels.’
22 Alle eer is voor de Here,
want Hij heeft mij op wonderbaarlijke wijze
zijn goedheid en liefde getoond.
Vooral toen ik het zo verschrikkelijk moeilijk had.
23 Terwijl ik in mijn angst dacht dat U mij vergeten was,
hebt U juist mijn luide smeekbeden gehoord.
U hoorde mij om hulp roepen.
24 Dit zeg ik tegen allen die God volgen:
‘Heb Hem van harte lief,
want de Here zorgt voor hen die Hem trouw volgen,
maar Hij rekent grondig af met de hoogmoedigen.
25 Wees sterk,
laat uw hart maar sterk en moedig zijn
en blijf altijd op de Here hopen.’