La Bible du Semeur

Psaumes 115

A Dieu seul la gloire !

1Non pas à nous, |ô Eternel, |non pas à nous,
mais à toi seul la gloire,
pour ton amour |et ta fidélité !

Pourquoi les autres peuples diraient-ils :
« Où est leur Dieu ? »
Notre Dieu est au ciel,
il fait tout ce qu’il veut.
Mais leurs idoles sont d’argent et d’or,
fabriquées par des hommes.
Elles ont une bouche |mais ne peuvent parler !
Elles ont bien des yeux, |mais elles ne voient pas.
Elles ont des oreilles, |mais qui n’entendent rien ;
elles ont des narines |mais qui ne sentent rien.
Elles ont bien des mains, |mais ne peuvent toucher ;
elles ont bien des pieds, |mais ne peuvent marcher.
De leur gorge, jamais |aucun son ne s’échappe.
Ils leur ressemblent, |tous ceux qui les fabriquent,
tous ceux qui mettent leur confiance en elles[a].
Gens d’Israël, |mettez votre confiance |en l’Eternel !
Il est votre secours |et votre bouclier.
10 Descendants d’Aaron[b], |mettez votre confiance |en l’Eternel !
Il est votre secours |et votre bouclier.
11 Et vous qui craignez l’Eternel, |mettez votre confiance |en l’Eternel !
Il est votre secours |et votre bouclier.

12 L’Eternel s’occupe de nous : |il bénira ;
il bénira |le peuple d’Israël.
Il bénira |la descendance d’Aaron.
13 Il bénira |tous ceux qui craignent l’Eternel,
du plus petit |jusqu’au plus grand.
14 Que l’Eternel |vous multiplie,
et vous et vos enfants !
15 Soyez bénis par l’Eternel
qui a fait le ciel et la terre !

16 Le ciel ? Il appartient à l’Eternel ;
quant à la terre, |il l’a donnée aux hommes.
17 Les morts ne louent pas l’Eternel,
ni aucun de ceux qui descendent |au pays du silence.
18 Quant à nous, nous bénirons l’Eternel,
dès maintenant |et à jamais.
Louez l’Eternel !

Notas al pie

  1. 115.8 Pour les v. 4-8, voir 135.15-18.
  2. 115.10 C’est-à-dire les prêtres (voir Ex 28.1, 43).

Het Boek

Psalmen 115

1Here, wij verdienen geen eer.
Alleen uw naam komt alle eer toe
vanwege uw goedheid, liefde en trouw.
De heidenen zeggen: ‘Waar is hun God nu?’
Onze God woont in de hemel
en doet wat Hem goeddunkt.
Hun afgodsbeelden zijn van zilver en goud,
vervaardigd door gewone mensen.
Die beelden kun je zien:
zij hebben een mond, maar zeggen geen woord.
Ook hebben ze oren aan het beeld gemaakt,
maar die kunnen toch niet horen.
En een neus, maar die ruikt niets.
De handen die eraan zitten, voelen niets.
En de voeten verzetten geen stap.
Ook de keel kan geen geluid voortbrengen.
Wie beelden maakt zal eenmaal
net zo doods zijn als zijn maaksels.
Zo gaat het ook met ieder die op die beelden vertrouwt.
Israëlieten,
stel uw vertrouwen op de Here.
Hij is voor hen een helper
en stelt Zich beschermend voor hen op.
10 Nageslacht van Aäron,
stel uw vertrouwen op de Here
Hij is voor hen een Helper
en stelt Zich beschermend voor hen op.
11 Als u ontzag hebt voor de Here,
stel dan ook uw vertrouwen op Hem.
Hij is voor u een Helper
en stelt Zich beschermend voor u op.
12 De Here denkt aan ons,
Hij geeft de zegen.
Hij geeft zegeningen
aan het volk van Israël,
aan het nageslacht van Aäron
13 en aan ieder die ontzag voor de Here heeft,
klein en groot.
14 Ik bid dat de Here u veel kinderen geeft,
zowel aan u als aan uw kinderen.
15 U bent rijk gezegend door de Here,
die hemel en aarde heeft gemaakt.
16 De hemel is de woonplaats van de Here
en de aarde gaf Hij aan de mensen.
17 Dode mensen kunnen de Here niet prijzen,
vanuit het dodenrijk kan niemand Hem eren.
18 Wij, de levende mensen,
mogen echter de Here loven en prijzen:
nu en tot in eeuwigheid.