La Bible du Semeur

Psaumes 109

Sors de ton silence, ô Dieu!

1Au chef de chœur. Psaume de David.

Dieu, toi que je loue, ne reste pas silencieux,
car des gens méchants ouvrent contre moi leur bouche empreinte de tromperie,
et ils tiennent contre moi des propos menteurs.
Ils m’entourent de paroles que la haine inspire.
Sans cause, ils me font la guerre.
Pour prix de mon amitié, ils m’ont accusé,
tandis que moi, je suis en prière.
Ils me font du mal pour le bien que je leur fais,
et mon amitié est payée de haine.

Soumets-le à un méchant[a]!
Qu’un accusateur se tienne à sa droite!
Que, lors de son jugement, il soit déclaré coupable,
que sa prière serve à le condamner!
Que ses jours soient abrégés,
qu’un autre prenne sa charge[b]!
Que ses fils soient orphelins,
que sa femme reste veuve,
10 que ses enfants soient errants, qu’ils mendient leur pain[c],
et qu’ils soient réduits à quémander loin de leur demeure en ruine!
11 Que le créancier prenne tout son bien!
Que des étrangers ravissent le produit de son labeur!
12 Qu’il n’y ait personne qui lui manifeste de la bienveillance
et qui ait pitié de ses orphelins!
13 Que ses descendants soient exterminés
et qu’à la génération suivante, leur nom disparaisse.
14 Que le péché de ses pères soit pris en compte par l’Eternel,
Que les fautes de sa mère ne soient jamais effacées!
15 Que l’Eternel constamment, les ait en ligne de mire!
Que leur souvenir soit extirpé de la terre!
16 Car cet homme ne s’est jamais appliqué à agir avec bonté,
et il a persécuté le pauvre, le démuni,
l’homme au cœur brisé, jusqu’à le faire mourir.
17 Il aimait maudire: que la malédiction vienne le frapper!
Il refusait de bénir: que la bénédiction fuie loin de lui!
18 Puisqu’il endossait la malédiction comme un vêtement,
qu’elle le pénètre comme ferait l’eau,
et qu’elle entre en lui jusque dans ses os comme ferait l’huile[d]!
19 Qu’elle l’enveloppe comme un vêtement,
comme une ceinture sans cesse attachée autour de ses reins!
20 Que ce soit ainsi, que l’Eternel paie mes accusateurs
et ceux qui me calomnient.
21 Et toi, Eternel, Seigneur,
interviens en ma faveur en vue de ta renommée!
Toi dont l’amour est si bon, viens me délivrer!
22 Je suis affligé et pauvre
et mon cœur est déchiré au-dedans de moi.
23 Comme l’ombre qui s’étire, je m’évanouis;
Et l’on me secoue comme on le ferait d’une sauterelle.
24 Mes genoux flageolent par l’effet du jeûne
et mon corps est amaigri.
25 Je suis, pour ces gens, un sujet de raillerie.
Dès qu’ils m’aperçoivent, ils hochent la tête.

26 A l’aide, Eternel, mon Dieu!
Sauve-moi dans ton amour!
27 Que mes ennemis puissent reconnaître
que c’est toi seul, Eternel, toi seul qui as fait cela.
28 Ils peuvent maudire, toi, tu béniras!
Ils se dressent contre moi … Ils seront couverts de honte!
Et ton serviteur sera dans la joie.
29 Que ceux qui m’accusent soient couverts de déshonneur!
Qu’ils soient revêtus de honte comme d’un manteau!

30 Je célébrerai l’Eternel à pleine voix,
et je le glorifierai parmi les foules nombreuses,
31 car il se tient aux côtés du pauvre
pour le délivrer de ceux qui l’assignent en justice.

Notas al pie

  1. 109.6 Dans les v. 6-19, le psalmiste lance des imprécations contre ses adversaires qui sont motivées par le souci que la justice soit rétablie pour la gloire de Dieu, ainsi que par le désir légitime d’être délivré de ses ennemis. D’autres comprennent ces versets comme une citation des propos tenus par les «gens méchants» contre le psalmiste.
  2. 109.8 Cité en Ac 1.20.
  3. 109.10 Texte hébreu traditionnel. L’ancienne version grecque a: qu’ils soient expulsés.
  4. 109.18 Nb 5.17-28.

Het Boek

Psalmen 109

1Een psalm van David voor de koordirigent.

Mijn God, die ik loof,
blijf niet langer zwijgen.
Mijn tegenstanders hebben
bedrieglijke taal tegen mij gesproken,
dingen die tegen uw wil ingaan.
Zij liegen.
De haat druipt van hun woorden af
en zij zijn opstandig tegen mij,
zonder enige reden.
Ik heb hen liefgehad,
maar als dank keren zij zich tegen mij.
Ik wend mij echter tot U,
alleen door gebed wil ik dit oplossen.
In plaats van goed
spreken zij kwaad over mij
en geven mij haat
als beloning voor al mijn liefde.
Stel een ongelovige rechter
over mijn tegenstander aan
en laat de aanklager naast hem staan.
Laat het hof hem maar schuldig verklaren.
Zijn gebed wordt hem tot zonde.
Laat hem jong sterven
en laat een ander zijn taak overnemen.
Zijn kinderen zullen wezen worden
en zijn vrouw gaat het leven verder als weduwe door.
10 Laten zijn kinderen maar overal ronddwalen
en bedelen voor de kost,
zij zullen overal weggejaagd worden.
11 De man bij wie hij schulden heeft,
zal zijn bezit opeisen,
laten vreemdelingen maar plunderen
wat hij met veel moeite bij elkaar verzamelde.
12 Ik hoop dat er niemand is
die hem nog enige liefde bewijst,
dat niemand zorgt
voor zijn tot wees geworden kinderen.
13 Zijn nageslacht moet worden uitgeroeid,
zijn naam mag in de volgende generatie al niet meer bestaan.
14 De zonden van zijn ouders en voorouders
moeten de Here voor ogen blijven staan.
15 Laat de Here Zich deze voortdurend herinneren,
want dan zal Hij elke herinnering aan hen vernietigen.
16 Want mijn tegenstander piekerde er niet over
om wie dan ook maar liefde te bewijzen.
Integendeel, hij vervolgde de armen,
de ellendigen en de zwakken om hen te doden.
17 Laten de vloeken die hij zo graag uitsprak
maar over hemzelf komen.
Hij wilde niet over de zegen praten:
laat die nu dan ook maar ver van hem blijven.
18 De vloek was als een mantel om hem heen:
laat die hem nu helemaal vervullen,
tot hij er ziek van wordt.
19 Laat die vloek nu maar helemaal om hem heen zijn,
als een riem die hij dag en nacht draagt.
20 Ik hoop dat de Here mijn tegenstanders
op deze manier zal belonen,
dat dit zal gebeuren
met ieder die kwaad van mij spreekt.
21 Here, mijn God, wilt U met mij omgaan
tot eer van uw naam?
Red mij toch, want ik weet
hoe groot uw goedheid en liefde zijn.
22 Zelf ben ik er ellendig aan toe
en ik ben arm.
Mijn hart ligt als een gewond dier in mijn lichaam.
23 Als een langer wordende schaduw
zal ik straks verdwijnen,
ik word weggeschud
alsof ik een lastige sprinkhaan ben.
24 Doordat ik niet eet,
trillen mijn knieën
en ik ben mager geworden.
25 Ik ben een bespotting voor anderen.
Wie mij ziet,
bekijkt mij hoofdschuddend.
26 Here, mijn God,
help mij toch en bevrijd mij.
Dat past immers bij uw goedheid en uw liefde?
27 Dan zullen anderen erkennen
dat U dit hebt gedaan.
Here, zij zullen dan zeggen
dat uw hand mij behulpzaam was.
28 Ook al vervloeken zij mij,
wilt U mij zegenen?
En als zij zich boven mij willen stellen,
wilt U hen dan te schande zetten?
Laat ik mij in U verheugen.
29 Overdek mijn tegenstanders met schaamte
en laat hun schande hen omhullen.
30 Zelf zal ik hardop de Here loven en prijzen,
velen zullen het horen.
31 Want God helpt de armen
en verlost hen van hun onderdrukkers.