La Bible du Semeur

Psaumes 107

Cinquième livre

Cantique des rachetés

1Célébrez l’Eternel, car il est bon,
car son amour dure à toujours[a].
Qu’ils le proclament, tous ceux que l’Eternel a délivrés,
qu’il a sauvés des mains de l’oppresseur,
et qu’il a rassemblés de tous pays:
de l’est, de l’ouest, du nord et du midi[b].

Les uns erraient dans le désert où il n’y a personne,
sans trouver le chemin d’une ville habitée.
Ils étaient affamés, ils avaient soif,
et ils étaient tout près de défaillir.
Dans leur détresse, ils crièrent à l’Eternel,
et il les délivra de leurs angoisses.
Il les mena par un chemin tout droit
et les dirigea vers une ville habitable.
Qu’ils louent donc l’Eternel pour son amour,
pour ses merveilles en faveur des humains!
Il a désaltéré les assoiffés,
il a comblé de biens les affamés.

10 D’autres se trouvaient dans des lieux, où régnaient d’épaisses ténèbres et l’obscurité la plus noire,
enchaînés dans la misère et les fers
11 pour avoir bravé les commandements de Dieu
et méprisé les desseins du Très-Haut.
12 Il les humilia en les astreignant à un dur labeur:
ils succombaient, privés de tout secours.
13 Dans leur détresse, ils crièrent à l’Eternel,
et il les délivra de leurs angoisses.
14 Il les fit sortir des lieux sombres et ténébreux,
il rompit les liens qui les retenaient.
15 Qu’ils louent donc l’Eternel pour son amour,
pour ses merveilles en faveur des humains!
16 Car il a brisé les portes de bronze
et il a rompu les verrous de fer.

17 Des insensés, vivant dans le péché,
s’étaient rendus malheureux par leurs fautes.
18 Tout aliment répugnait à leur bouche,
ils approchaient des portes de la mort.
19 Dans leur détresse, ils crièrent à l’Eternel,
et il les délivra de leurs angoisses.
20 Il dit un mot et les guérit,
et il les fit échapper à la tombe.
21 Qu’ils louent donc l’Eternel pour son amour,
pour ses merveilles en faveur des humains!
22 Et qu’ils lui offrent des sacrifices de reconnaissance;
qu’avec des cris de joie, ils racontent ses œuvres.

23 D’autres s’étaient embarqués sur la mer, dans des bateaux
et ils vaquaient à leurs occupations sur de profondes eaux.
24 Ceux-là ont vu les œuvres de l’Eternel,
et ses prodiges sur la haute mer.
25 A sa parole, il fit lever un vent impétueux
qui souleva les flots.
26 Tantôt ils étaient portés jusqu’au ciel,
tantôt ils retombaient dans les abîmes,
et ainsi mis à mal, ils défaillaient.
27 Pris de vertige, ils titubaient comme ivres,
et tout leur savoir-faire s’était évanoui.
28 Dans leur détresse, ils crièrent à l’Eternel,
et il les délivra de leurs angoisses.
29 Il calma la tempête,
et fit taire les flots qui s’étaient soulevés contre eux.
30 Ce calme fut pour eux cause de joie
et Dieu les guida au port désiré.
31 Qu’ils louent donc l’Eternel pour son amour,
pour ses merveilles en faveur des humains!
32 Qu’ils disent sa grandeur dans l’assemblée du peuple,
et qu’ils le louent au conseil des autorités[c].

33 Il peut faire tarir les fleuves et les transformer en désert,
ou changer les sources d’eau en lieux secs;
34 d’un sol fertile, il fait une saline[d]
quand ses habitants pratiquent le mal.
35 Mais il change aussi le désert en lac
et la terre aride en sources d’eau vive,
36 et il y établit ceux qui ont faim,
pour qu’ils y fondent une ville habitable,
37 qu’ils ensemencent des champs et plantent des vignes
qui porteront des fruits en abondance.
38 Il les bénit en sorte qu’ils se multiplient,
Et il ne laisse pas décroître leur bétail.

39 D’autres sont réduits à un petit nombre, écrasés sous le poids
de l’oppression, du malheur et de la souffrance.
40 Dieu répand le mépris sur les puissants,
les fait errer dans un désert sans route.
41 Mais il délivre le pauvre de la détresse
et rend les familles fécondes comme le petit bétail.

42 Les hommes droits le voient et ils s’en réjouissent,
mais toute méchanceté a la bouche close.
43 Que celui qui est sage prête attention à tout cela,
et qu’il médite sur l’amour de l’Eternel.

Notas al pie

  1. 107.1 Voir 100.5; 106.1; 118.1, 29; 136; 1 Ch 16.34; 2 Ch 5.13; 7.3; Esd 3.11; Jr 33.11.
  2. 107.3 D’après la version syriaque. Texte hébreu traditionnel: la mer.
  3. 107.32 L’assemblée du peuple pour le culte et le conseil des responsables réunis aux portes de la ville où se traitaient les affaires publiques étaient les lieux où celui qui avait été délivré pouvait rendre témoignage à Dieu.
  4. 107.34 Le sel rend le sol stérile (Gn 13.10; 14.3; 19.24-26; Dt 29.22).

Het Boek

Psalmen 107

1Prijs de Here!
Hij is een goede God.
Want zijn goedheid en liefde
blijven eeuwig bestaan.
Laat ieder die door de Here is bevrijd,
dit blijven zeggen.
Hij heeft hen immers bevrijd
uit de macht van de vijand?
Hij heeft hen teruggehaald
uit alle verre landen,
uit oost en west, uit noord en zuid.
Er waren mensen
die ronddwaalden in de woestijn,
op eenzame plaatsen.
Zij hadden geen plek om te wonen.
Door honger en dorst waren zij
aan het eind van hun krachten.
Toen riepen zij in hun ellende tot de Here
en Hij redde hen uit al hun angst.
Hij liet hen lopen
op een goed begaanbare weg
die leidde naar een stad
waar ook voor hen een huis was.
Laten zij de goedheid en liefde van de Here prijzen
en Hem ook eren om alle wonderen
die Hij voor de mensen heeft gedaan.
Maar ook omdat Hij
de dorstige mensen te drinken heeft gegeven
en de hongerigen heeft voorzien van voedsel.
10 Er waren ook mensen
die in de duisternis moesten leven.
Zij zaten, lichamelijk of geestelijk, vastgebonden.
11 Dat kwam doordat zij
niet wilden luisteren naar wat God zei.
Zij wisten het zelf beter!
Zij sloegen de raadgevingen van God,
de Allerhoogste, in de wind.
12 Daarom had Hij hen in de moeilijkheden gebracht.
Toen zij vielen,
was er niemand die hen hielp.
13 Toen riepen zij in hun ellende tot de Here
en Hij redde hen uit al hun angst.
14 Hij leidde hen uit die diepe duisternis
waarin zij leefden,
en verbrak alles
waarmee zij zaten vastgebonden.
15 Laten zij de goedheid en liefde van de Here prijzen
en Hem ook eren om alle wonderen
die Hij voor de mensen heeft gedaan.
16 Maar ook omdat Hij
de koperen deuren heeft opengebroken
en de metalen sloten ervan heeft vernietigd.
17 Ook waren er mensen
die dwaas handelden.
Wegens hun zondige leven en hun oneerlijkheid
werden zij gemarteld.
18 Zij walgden bij het zien van eten
en stonden al met één been in het graf.
19 Toen riepen zij in hun ellende tot de Here
en Hij redde hen uit al hun angst.
20 Hij kwam en sprak met hen,
Hij maakte hen beter
en rukte hen weg voor de kaken van de dood.
21 Laten zij de goedheid en liefde van de Here prijzen
en Hem ook eren om alle wonderen
die Hij voor de mensen heeft gedaan.
22 Maar laten zij Hem ook lofoffers brengen
en juichend over zijn werk vertellen.
23 Er waren ook mensen
die met hun schepen alle zeeën bevoeren
en overal handel dreven.
24 Zij zagen het machtige scheppingswerk van de Here
en wat Hij in de zeeën had gemaakt.
25 Soms, als Hij sprak,
stak er een storm op die de golven hoog opzweepte.
26 Dan gingen zij met schip en al
omhoog met de golven
en even later weer diep naar beneden,
zij waren dan doodsbang.
27 Zij vielen om en liepen als dronkemannen.
Er bleef van al hun fiere stoerheid niets meer over.
28 Toen riepen zij in hun ellende tot de Here
en Hij redde hen uit al hun angst.
29 Hij zwakte de storm af
tot een zacht ruisende wind
en de golven kalmeerden.
30 Zij waren blij omdat alles weer tot rust kwam.
God Zelf bracht hen veilig naar de haven van bestemming.
31 Laten zij de goedheid en liefde van de Here prijzen
en Hem ook eren om alle wonderen
die Hij voor de mensen heeft gedaan.
32 Maar laten zij Hem ook prijzen
tegenover de leiders van het volk
en Hem de eer geven wanneer zij later alles vertellen.
33 Hij bepaalt of een waterrijk gebied
een woestijn wordt
en bronnen opdrogen
en tot droog land worden.
34 Of dat vruchtbaar land
zoute grond wordt,
omdat de bewoners slecht zijn.
35 Maar Hij maakt ook woestijnen
tot vruchtbare streken
en in droge, gebarsten grond
laat Hij bronnen ontspringen.
36 Daar laat Hij hongerige mensen wonen
en zij bouwen daar een stad.
37 Zij zaaien akkers in
en leggen wijngaarden aan.
De opbrengst dient als voedsel.
38 God zegent hen
en laat hen uitgroeien tot een groot volk.
Ook het vee neemt aanzienlijk toe.
39 Maar als er rampen en slechte tijden komen,
wordt dat volk weer kleiner en verdwijnt.
40 Er komt schande over de machthebbers,
zij dwalen rond zonder doel.
41 God beschermt echter de armen,
Hij behoedt hen voor verdrukking
en breidt hun families uit.
42 De oprechte mensen zijn blij als zij dit zien.
Oneerlijkheid trekt toch altijd aan het kortste eind.
43 Wie denkt dat hij wijs is,
moet goed op deze dingen letten,
en vooral nooit de goedheid en zegeningen van de Here
over het hoofd zien.