La Bible du Semeur

Osée 1:1-9

Les actes symboliques

1L’Eternel adressa la parole à Osée, fils de Beéri, sous les règnes d’Ozias, de Yotam, d’Ahaz et d’Ezéchias, rois de Juda, et sous le règne de Jéroboam, fils de Joas, roi d’Israël1.1 Sur cette période, voir 2 R 15 à 20 ; 2 Ch 27 à 32. roi d’Israël : Jéroboam (793 à 753 av. J.-C.). rois de Juda, en tenant compte des co-régences : Ozias (792 à 740 av. J.-C.), Yotam (750 à 732 av. J.-C.), Ahaz (735 à 715 av. J.-C.) et Ezéchias (727 à 698 ou 686 av. J.-C.)..

Le mariage de Dieu avec Israël

2Première partie des paroles que l’Eternel prononça par Osée :

L’Eternel dit à Osée : Va, prends une femme qui se livre à la prostitution, et des enfants nés de la prostitution, car le pays se vautre dans la prostitution en se détournant de l’Eternel1.2 Le culte de Baal et d’Astarté, avec leurs rites de fécondité, s’accompagnait de la prostitution sacrée (voir v. 10 et note)..

3Alors Osée alla prendre Gomer, de Diblaïm. Elle devint enceinte et lui donna un fils. 4L’Eternel lui dit : Appelle-le Jizréel, car d’ici peu de temps, je ferai rendre compte à la dynastie de Jéhu des meurtres commis à Jizréel1.4 Voir 2.2 et note ; 2 R 9 et 10. et je mettrai fin à la royauté d’Israël. 5En ce jour-là, je briserai l’arc d’Israël dans la vallée de Jizréel.

6Gomer fut de nouveau enceinte et mit au monde une fille. L’Eternel dit à Osée : Appelle-la Lo-Rouhama (la Non-Aimée), car, à l’avenir, je ne manifesterai plus d’amour à la communauté d’Israël, et je ne lui accorderai plus mon pardon.

7Cependant, je manifesterai de l’amour à la communauté de Juda, et moi, l’Eternel son Dieu, je la sauverai. Je la sauverai moi-même – et non pas par l’arc, par l’épée ou la guerre, par les chevaux et les équipages de chars.

8Après avoir sevré Lo-Rouhama, Gomer fut encore enceinte et elle donna naissance à un fils.

9L’Eternel dit à Osée : Appelle-le Lo-Ammi (Pas mon peuple) car vous n’êtes pas mon peuple, et moi, Je suis, je ne suis rien pour vous1.9 Reprise du verbe d’Ex 3.14 où Dieu révèle son nom : Je suis..

Het Boek

Hosea 1:1-12

Hoseaʼs vrouw en kinderen

1Hosea, de zoon van Beëri, ontving verscheidene boodschappen van de Here. Dat was in de tijd dat de koningen Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia over Juda regeerden en dat koning Jerobeam, de zoon van Joas, over Israël regeerde.

2Dit is de eerste boodschap van de Here.

De Here zei tegen Hosea: ‘Trouw met een vrouw die prostituee is en kinderen heeft die door andere mannen verwekt zijn. Dit zal een voorbeeld zijn van de manier waarop mijn volk Mij ontrouw is geweest. Want het heeft openlijk overspel gepleegd door afgoden te vereren.’ 3Toen trouwde Hosea met Gomer, de dochter van Diblaïm. Zij raakte in verwachting en schonk het leven aan een zoon. 4De Here zei: ‘Noem het kind Jizreël, want het duurt niet lang meer of Ik zal in het dal van Jizreël wraak nemen op Jehuʼs koningshuis voor de moorden die Jehu heeft begaan. Ja, Ik zal zelfs een einde maken aan de positie van Israël als onafhankelijk koninkrijk. 5In het dal van Jizreël zal Israël een verpletterende nederlaag lijden.’

6Gomer raakte opnieuw in verwachting en deze keer was het een dochter. God zei tegen Hosea: ‘Noem haar Lo-Ruchama (Geen medelijden meer), want Ik zal geen medelijden meer hebben met Israël of haar weer vergeven. 7Maar Ik zal Mij wél het lot aantrekken van het volk van Juda. Ik, die haar God ben, zal haar verlossen van haar vijanden, zonder hulp van haar troepen of wapens.’ 8Toen Gomer Lo-Ruchama niet meer zelf voedde, werd zij voor de derde keer zwanger en bracht een zoon ter wereld. 9God zei: ‘Geef hem de naam Lo-Ammi (Niet mijn volk), want Israël is niet van Mij en Ik ben niet haar God. 10Toch zal eens de tijd komen waarin Israël zal uitgroeien tot een groot volk. Er zullen meer mensen zijn dan iemand ooit kan tellen, zoveel als het zand aan het strand! Op de plaats waar gezegd werd: “U bent niet mijn volk,” zal Ik dan zeggen: “U bent mijn kinderen, kinderen van de levende God.” 11Dan zullen het volk van Juda en dat van Israël zich verenigen en één leider over zich aanstellen. Samen zullen zij terugkeren uit ballingschap. Wat zal dat een grandioze dag zijn, als God zijn volk weer zal uitzaaien op de vruchtbare grond van hun eigen land!’

12O Jizreël, geef uw broers en zusters een nieuwe naam. Noem uw broers nu Ammi (Mijn volk) en uw zusters Ruchama (Medelijden).