La Bible du Semeur

Lévitique 1:1-17

Lois sur les sacrifices et les offrandes

1L’Eternel appela Moïse et lui dit depuis la tente de la Rencontre : 2Parle aux Israélites en ces termes :

Les holocaustes

Lorsque l’un d’entre vous offrira un animal en sacrifice à l’Eternel, il apportera un animal pris parmi le gros ou le petit bétail.

3Si c’est du gros bétail1.3 Trois sortes de victimes pouvaient être offertes en holocauste suivant la fortune de l’offrant : les taureaux pour les riches (v. 3), les moutons ou les chevreaux (v. 10) et les oiseaux (v. 14) pour les pauvres (Lv 5.7 ; 12.8 ; Lc 2.24). qu’on offre en holocauste1.3 Le mot holocauste rend un mot hébreu de sens inconnu et dérive d’un terme grec signifiant : « entièrement consumé ». En effet, la victime de ce sacrifice était presque entièrement brûlée. Voir Ex 29.39-42 ; Nb 28.9-10, 26-31., on apportera un mâle sans défaut et on l’offrira à l’entrée de la tente de la Rencontre afin qu’il soit agréé par l’Eternel. 4Celui qui l’offre posera sa main sur la tête de l’animal1.4 L’imposition des mains représente l’identification avec l’animal qui, par ce geste, devient le substitut de l’offrant (voir 24.14 ; 16.21). et celui-ci sera accepté comme victime expiatoire pour lui. 5Il égorgera le jeune taureau devant l’Eternel, et les descendants d’Aaron, les prêtres, en présenteront le sang1.5 Voir Gn 9.4 ; Lv 17.10-15 ; Dt 12.16.. Ils en aspergeront tous les côtés de l’autel qui se trouve à l’entrée de la tente de la Rencontre. 6Après lui avoir enlevé la peau, on découpera la victime en quartiers. 7Puis les descendants du prêtre Aaron allumeront le feu sur l’autel et empileront des bûches sur le feu. 8Ensuite, les prêtres disposeront les quartiers de viande, la tête et les parties grasses sur le bois du foyer qui est sur l’autel. 9On lavera à l’eau les entrailles et les pattes, puis le prêtre brûlera le tout sur l’autel. C’est un holocauste, un sacrifice consumé par le feu, à l’odeur apaisante pour l’Eternel1.9 Autre traduction (ici comme dans tout l’Ancien Testament) : au parfum de bonne odeur pour l’Eternel..

10Si c’est du petit bétail qu’on offre en holocauste, on présentera un agneau ou un chevreau mâle sans défaut. 11On l’égorgera devant l’Eternel, du côté nord de l’autel, et les prêtres, descendants d’Aaron, aspergeront de son sang tous les côtés de l’autel. 12On découpera la victime en quartiers, et le prêtre les disposera avec la tête et les parties grasses sur le bois du foyer qui est sur l’autel. 13On lavera à l’eau les entrailles et les pattes, et le prêtre offrira le tout et le brûlera sur l’autel. C’est un holocauste, un sacrifice consumé par le feu, à l’odeur apaisante pour l’Eternel.

14Si ce sont des oiseaux qu’on offre comme holocauste à l’Eternel, on apportera des tourterelles ou des pigeonneaux. 15Le prêtre présentera la victime devant l’autel, lui détachera la tête qu’il brûlera sur l’autel ; il fera couler le sang contre la paroi de l’autel. 16Il enlèvera le jabot avec son contenu et le jettera près de l’autel, du côté est, dans le dépôt des cendres. 17Il ouvrira l’oiseau entre les ailes sans les détacher. Ensuite il le brûlera sur le bois qui est sur le foyer. C’est un holocauste, un sacrifice consumé par le feu, à l’odeur apaisante pour l’Eternel.

Het Boek

Leviticus 1:1-17

Het brandoffer

1De Here riep Mozes en sprak tot hem vanuit de tabernakel. 2Hij droeg hem op de volgende voorschriften aan het volk Israël door te geven: ‘Wanneer iemand van u de Here een offer wil brengen, moet hij daarvoor een rund of een stuk kleinvee gebruiken.

3Als hij een rund als brandoffer wil geven, moet het een stier zijn zonder lichamelijke gebreken. Hij moet het dier naar de ingang van de tabernakel brengen, waar de priesters het in ontvangst nemen als zijn geschenk aan de Here. 4Hij moet zijn hand op de kop van het dier leggen. De dood van het dier geldt dan in plaats van de dood van de man die het offer brengt, als de straf voor zijn zonden. 5De man moet het rund daarna voor de ogen van de Here slachten en Aärons zonen, de priesters, zullen het bloed van het offer voor de ogen van de Here aan alle kanten over het altaar bij de ingang van de tabernakel sprenkelen. 6Hij zal het brandoffer villen en in stukken verdelen. 7-8 Daarna zullen de zonen van Aäron een houtvuur op het altaar maken en de stukken, met de kop en het vet, op het vuur leggen. 9De ingewanden en de poten moeten eerst met water worden afgewassen en daarna ook op het vuur worden verbrand. Zo zal de priester alles in rook laten opgaan als een brandoffer, dat aangenaam is voor de Here.

10Als het offerdier een schaap of een geit is, moet het een mannelijk dier zijn, zonder gebreken. 11De man die het offer brengt, moet het dier voor het oog van de Here slachten aan de noordkant van het altaar, en Aärons zonen, de priesters, zullen het bloed daarna rondom op het altaar sprenkelen. 12Daarna moet de man het dier in vieren delen, waarna de priesters de delen, met de kop en het vet, op het hout op het altaar leggen. 13De ingewanden en de poten moet hij eerst met water afwassen. Daarna zullen de priesters alles op het altaar verbranden als een brandoffer dat aangenaam is in de ogen van de Here.

14Wie een vogel als brandoffer wil brengen, mag kiezen tussen tortelduiven en jonge duiven. 15De priester zal de vogel naar het altaar brengen, hem de kop afdraaien en de kop op het altaar verbranden. Het bloed van het dier wordt tegen de zijkant van het altaar eruit gedrukt. 16De priester zal daarna de krop met de voedselresten verwijderen en deze aan de oostkant van het altaar op de ashoop gooien. 17Daarna zal hij de vleugels inscheuren zonder ze eraf te trekken en de priester zal de vogel op het altaar in rook laten opgaan als een brandoffer dat aangenaam is voor de Here.’