La Bible du Semeur

Genèse 22:1-24

Isaac sera-t-il sacrifié ?

1Après ces événements, Dieu mit Abraham à l’épreuve22.1 Allusion en Jc 2.21.. Il l’appela : Abraham !

Et celui-ci répondit : Me voici.

2– Prends Isaac, ton fils unique, que tu aimes, lui dit Dieu, et va au pays de Moriya. Là, tu me l’offriras en sacrifice sur l’une des collines, celle que je t’indiquerai22.2 Voir Hé 11.17-19. Moriya : voir 2 Ch 3.1. offriras en sacrifice : allusion en Hé 11.17-19..

3Le lendemain, Abraham se leva de grand matin, sella son âne et emmena deux de ses serviteurs ainsi que son fils Isaac ; il fendit du bois pour l’holocauste, puis il se mit en route en direction de l’endroit que Dieu lui avait indiqué.

4Après trois jours de marche, Abraham, levant les yeux, aperçut le lieu dans le lointain. 5Alors il dit à ses serviteurs : Restez ici avec l’âne ; le garçon et moi, nous irons jusque là-bas pour adorer Dieu, puis nous reviendrons vers vous.

6Abraham chargea le bois de l’holocauste sur son fils Isaac ; il prit lui-même des braises pour le feu et le couteau, puis tous deux s’en allèrent ensemble.

7Isaac s’adressa à son père Abraham et lui dit : Mon père !

Abraham dit : Qu’y a-t-il, mon fils ?

– Voici le feu et le bois, dit-il, mais où est l’agneau pour l’holocauste ?

8Abraham répondit : Mon fils, Dieu pourvoira lui-même à l’agneau pour l’holocauste.

Et ils poursuivirent leur chemin tous deux ensemble.

9Quand ils furent arrivés à l’endroit que Dieu lui avait indiqué, Abraham construisit un autel et y disposa les bûches. Puis il ligota son fils Isaac et le mit sur l’autel par-dessus le bois. 10Alors Abraham prit en main le couteau pour immoler son fils. 11A ce moment-là, l’ange de l’Eternel lui cria du haut du ciel : Abraham ! Abraham !

– Me voici, répondit-il.

12L’ange reprit : Ne porte pas la main sur le garçon, ne lui fais pas de mal, car maintenant je sais que tu crains Dieu puisque tu ne m’as pas refusé ton fils unique.

13Alors Abraham aperçut un bélier qui s’était pris les cornes dans un buisson22.13 D’après certains manuscrits, le Pentateuque samaritain et la version syriaque. Le texte hébreu traditionnel a : derrière lui.. Il s’en saisit et l’offrit en holocauste à la place de son fils. 14Abraham appela ce lieu-là : Adonaï-Yireéh (le Seigneur pourvoira). C’est pourquoi on dit aujourd’hui : Sur la montagne du Seigneur, il sera pourvu.

15Puis l’ange de l’Eternel appela une seconde fois Abraham du haut du ciel 16et lui dit : Je le jure par moi-même, parole de l’Eternel, puisque tu as fait cela, puisque tu ne m’as pas refusé ton fils, ton unique, 17je te comblerai de bénédictions, je multiplierai ta descendance et je la rendrai aussi nombreuse que les étoiles du ciel et que les grains de sable au bord de la mer. Ta descendance dominera sur ses ennemis22.17 Les v. 16-17 sont cités en Hé 6.13-14.. 18Tous les peuples de la terre seront bénis à travers ta descendance parce que tu m’as obéi.

19Abraham revint vers ses serviteurs et ils se remirent ensemble en route pour rentrer à Beer-Sheva où Abraham continua d’habiter.

La descendance de Nahor

20Après ces événements, on annonça à Abraham que Milka avait donné des enfants à Nahor, son frère : 21Outs son premier-né, Bouz le second, Qemouel, père d’Aram, 22Késéd, Hazo, Pildash, Yidlaph et Betouel. 23Betouel fut le père de Rébecca. Ce sont là les huit fils que Milka avait donnés à Nahor, frère d’Abraham. 24Son épouse de second rang Reouma lui donna aussi des enfants : Tébah, Gaham, Tahash et Maaka.

Het Boek

Genesis 22:1-24

Abrahams geloof op de proef gesteld

1Enige tijd later stelde God Abraham op de proef. ‘Abraham!’ zei God. ‘Ja, Here, hier ben ik,’ antwoordde Abraham. 2‘Neem uw zoon, uw enige, van wie u zoveel houdt, Isaak, ga naar het land Moria en offer hem daar als een brandoffer aan Mij. De plaats waar u dat moet doen, zal Ik u wijzen.’

3De volgende morgen stond Abraham vroeg op, zadelde zijn ezel, nam twee knechten mee en zijn zoon Isaak. Hij hakte hout voor het offer en ging op weg naar de plaats die God had genoemd. 4Na drie dagen reizen zag Abraham in de verte de plaats die God hem had gezegd. 5‘Jullie blijven hier bij de ezel,’ beval hij de twee dienaren, ‘ik en de jongen gaan daarheen om te aanbidden. Daarna komen wij hier terug.’ 6Abraham liet Isaak het hout voor het offervuur dragen en nam zelf het mes en het vuur. Zo liepen zij samen verder.

7‘Vader,’ zei Isaak. ‘Wat is er, mijn jongen?’ vroeg Abraham. ‘We hebben hout en het vuur,’ zei Isaak, ‘maar waar is het lam dat wij moeten offeren?’ 8‘God zal Zelf voor een offerlam zorgen, jongen,’ antwoordde Abraham. En weer gingen zij samen verder. 9Toen zij aankwamen op de plaats die God Abraham had aangewezen, bouwde Abraham een altaar en stapelde het hout erop. Toen bond hij Isaak vast en legde hem op het altaar, op het hout. 10Hij pakte het mes en hief zijn arm op om zijn zoon te doden. 11Op dat moment riep de Engel van de Here uit de hemel: ‘Abraham, Abraham!’ ‘Ik luister,’ antwoordde Abraham. 12‘Leg het mes weg en laat de jongen ongemoeid,’ zei de Engel. ‘Ik weet nu dat God de belangrijkste is in uw leven. Zelfs uw eigen zoon, uw enige, van wie u zoveel houdt, wilde u Mij geven.’

13Abraham keek rond en zag vlakbij een ram, die met zijn horens in de struiken vastzat. In plaats van zijn zoon offerde hij die ram als een brandoffer op het altaar. 14Abraham noemde die plaats ‘De Here voorziet erin.’ Daarom wordt ook nu nog gezegd: ‘Op de berg van de Here zal Hij voorzien.’

15Toen sprak de Engel van de Here opnieuw tegen Abraham vanuit de hemel. 16-17 ‘Ik, de Here, heb Mijzelf gezworen dat Ik u en uw nageslacht rijk zal zegenen, omdat u Mij hebt gehoorzaamd en Mij zelfs uw enige zoon wilde geven. Uw nakomelingen zullen net zo talrijk zijn als de sterren aan de hemel en het zand langs de zee. 18Zij zullen hun vijanden overwinnen en een zegen zijn voor alle volken van de wereld, en dat alles omdat u Mij hebt gehoorzaamd.’ 19Abraham keerde terug naar zijn twee dienaren en samen gingen ze terug naar Berseba, hun woonplaats.

20-23Enige tijd later kreeg Abraham bericht dat Milka, de vrouw van zijn broer Nachor, haar man acht zonen had gegeven. Us, de oudste, Buz, de op een na oudste, Kemuël (de vader van Aram), Kesed, Chazo, Pildas, Jidlaf en Betuël (de vader van Rebekka). 24Nachor kreeg ook nog vier zonen van zijn bijvrouw Reüma: Tebach, Gacham, Tachas en Maächa.